De Leeuw en het Lam

In de literatuur uit de tijd van  Hendrik III werd voor het eerst de idee van vrede als een versmelting van wereldlijk recht en christelijke genade onder woorden gebracht. Dit was een nieuwe ontwikkeling. “Het is een goede verhouding, zoals Lex (wet) en Gratia (genade)zich verenigen. Als zij verbonden zijn, zullen ze liefde tot de vrede voortbrengen.[1] Pax (Vrede), werd gezien hij als het einddoel van de hemelse en aardse wereld.[2]

Tijdens het werven om de hand van Agnes van Poitou, bij de verloving en rond de huwelijksvoltrekking in 1042 en 1043 hield Hendrik III telkens grote preken voor het volk waarin hij iedereen opriep elkaars schuld te vergeven, wat hij zelf ook deed.[3]

Bij zijn keizerkroning in 1046 schonk hij op de drempel van de St. Pieterskerk opnieuw zijn vijanden vergiffenis, (met uitzondering van Godfried II van Lotharingen die voor de tweede keer een opstand was begonnen). Hendrik vergaf zijn vijanden op grote schaal bij zijn huwelijk, bij zijn keizerkroning en op zijn sterfbed.      

De ‘indulgenties’ zoals de amnestieën van Hendrik III werden genoemd, hadden echter nog een extra bijzonderheid. Hij schonk zijn vijanden niet alleen vergiffenis, hij beloonde hen ook. Door de zondaren niet te straffen maar hen daarentegen een voorkeursbehandeling te geven, hoopte hij ‘kwaad met goed te vergelden’. Dit motief was nieuw en een overtreffing van het Cluniacenzer vredesideaal.

Hendrik III probeerde  een einde te maken aan het recht op vete, de bloedwraak van generatie op generatie, een eindeloze spiraal van geweld. Hij ontsloeg de gekrenkten van hun plicht tot wraak en nam de aanvallers de wind uit de zeilen, of, om het in New Age termen te zeggen, hij doorbrak het Karma.

Zijn optreden wekte zoveel verbazing dat het op tal van plaatsen in de elfde-eeuwse literatuur en de legenden over Hendrik III terecht is gekomen, bijvoorbeeld in het elfde eeuwse Ruodlieb, een manuscript dat beschouwd wordt als de eerste ridderroman.

Onze koning heeft niet het bevel gegeven, hem die zich overgeeft of gevangen wordt te doden, maar, als we kunnen, de gevangenen te bevrijden samen met de buit. De overwinnaar te overwinnen – wie wenst grotere eer? Wees een leeuw in de strijd, bij de wraak echter als een lam! Het is geen eer voor jullie, pijnlijk verlies te wreken. Een verheven soort wraak is het, de toorn te beteugelen.[4]

Kwaad met goed vergelden is een edele wraak, want wie door zo’n daad bekend wordt, wordt nog meer geacht. Jouw grote macht en je onvergelijkbare streven zijn voor jou een wal die niemand  vernietigen kan. Dat de geslagene degene die hem sloeg vergiffenis schenkt! Schijn je ons niet terecht als God te handelen, dat je vrijwillig de zondaars zonder dat iemand daar om vroeg vergeeft?[5]

In ‘Ruodlieb’ is een nieuw werkwoord gecreëerd: “deizare”, handelen als God. De goedheid van God is spontaan en vindt plaats uit vrije wil. Zo moet ook de mens spontaan vergeving schenken.[6]

            De spontaniteit van deze goede daden is verrassend. Het onverwachte kan ook als humoristisch worden ervaren. Deze manier van doen heeft verscheidene verhalen over Hendrik III opgeleverd. Dat hoeft niet te betekenen dat alles precies zo gebeurd is, maar het feit dat deze koning zondaars vergeving schonk en hen zelfs beloonde was iets waar men over praatte, iets wat verhalen en legenden deed ontstaan. Een voorbeeld is te vinden in een kroniek uit Kamerijk[7] Het is een anekdote over Hendrik III en diens ‘wonderlijke zachtzinnigheid’ tijdens een (overigens niet zachtzinnige) veldtocht in Vlaanderen in het jaar 1054.[8]

‘…de graaf [Boudewijn V van Vlaanderen] stuurde een priester die Radulf heette naar het kamp van de keizer om het te verkennen en vergaderingen af te luisteren. Deze ging, lamheid fingerend, op hoge houten zolen kruipend, tussen de armen zitten, zich vijandig uitstrekkend naar de aalmoezen van de keizer: kijkend herkende Johannes [van Atrecht] hem alsof hij de man tevoren gekend had. Zo wilde hij iets goed maken. Bij zijn wandeling in tegenwoordigheid van de keizer en zijn edelen wend hij zich tot hem bij het uitstrooien en strekte gevend zijn hand uit en beval hem voor aller ogen recht te blijven staan en gezond hard te lopen. Er ging een gemompel van bewondering op alsof er een wonder gebeurd was… Nadat dit geopenbaard was, werd de aangeklaagde tot de dood door de strop veroordeeld. Bij zijn terechtstelling zou hij met tuchtroeden gefolterd worden. “Maar eerst”, zei de keizer, “gaan we eten; nadat hij gegeten heeft, zal hij vrolijker opgehangen worden.” Ze werden bij de koninklijke tafel gezet, maar wie zou zelfs maar weinig lusten als hij zich met de dood bedreigd ziet. Eindelijk riep de keizer hem bij zijn tafel, veel over de graaf vragend bood hij hem de zilveren lepel aan die hij vasthield, beval hem met nieuwe kleren bekleed op een paard te zetten, “zodat wij hem”, zei hij, “die voorovergebogen op houten zolen kwam, hoog verheven te paard van ons zien teruggaan”. Dansend van vreugde, omdat hij aan de dood ontsnapt was, ging hij weg en droeg grote lof over de grootmoedigheid van de keizer zelfs bij de vijanden uit, zoals hij ons lange tijd later, oud en gebogen, gewoon was te vertellen.’


[1] Wipo,Tetralogus, 237-238. Est bona temperies, quam Lex et gratia miscent; haec si coniunctae, genetabunt pacis amorem.

[2] Ladner, G., 74, 76. Schnith, K. 22-57.

[3] Zie hoofdstuk VI, “Agnes van Poitou”.

[4] Ruodlieb, IV, 1-30.

[5] Ibidem, 78-119

[6] Götte, Chr., 76.

[7] Chronicon S. Andreae Castri Cemeracensis, MGH SS 7.

[8] Chronicon S. Andreae,Lib II. Cap. 19. MG.SS. VII, p. 534. “De quodam clerico a comite misso. Multa et praeclara in hac expeditione imperatoris gesta describi digna forent; sed quia id non est debiti nostri nec propositi, saltem ad ostendendam eius miram clementiam pauca de multis perstringendo memoramus. Nam cum clericum quemdam Radulfum ad imperatoris castra explorandi gratia et auscultandi consilia comes ut … misisset, illeque se contractum fingendo scabellis repens ad imperatoris elemosinam in tentorio inter pauperes consedisset: intuitus Iohannes agnovit eum sicuti virum sibi antea notum. Siluit tamen, sed post aliquam deambulationem coram imperatore et optimatibus eius ad iacentem accessit, dansque ei manum erexit, et in conspectu omniumiubet adsistere rectum et currere sanum. Stupor apprehendit intuentes; fit murmur admirantium quasi facto miraculo, et ultra quam credi potest admirans imperator, quid lateat percunctatur. Postquam manifestata res est, suspendii reus et mortis iudicatur. Virgas allatas ad se suspendendum ipse sibi torquere iubetur. Sed prius, ait imperator, comedamus ; postquam comederit,laetior suspendetur. Apponuntur cibi regii, sed quis vel parum gustaret, qui sibi vicinam mortem imminere videret ? Tandem vocato eo ante mensam suam, imperator multa super comite rogitans, chochlear argenteum quod tenebat ei porrigit, novisque vestibus eum indui et equo precepti imponi, ut qui nos, inquit, speculari venit pronus in scabellis, sublimus in equo redeat a nobis. Ita regressus quanto gaudio ut ereptus a morte tripudiaverit, quanta laude magnificentiam imperatoris etiam apud hostes extulerit, ipse longo post tempore iam senio curvus nobis narrare solebat. »

Sorry, the comment form is closed at this time.

   
© 2010 Ria van Loenen Suffusion theme by Sayontan Sinha