Het Martinikerkhof te Groningen was al in de elfde eeuw het bestuurlijk centrum van de bisschop van Utrecht. (Foto: Gouwenaar, Wikimedia Commons)

In 1039 stierf keizer Koenraad II te Utrecht en zijn hart en ingewanden werden in het koor van de St. Maartenskerk te Utrecht begraven. In 1040 bezocht Hendrik III Utrecht opnieuw en uit dank voor het bewaren van het hart van zijn overleden vader schonk hij  de bisschoppelijke kerk van Utrecht de volgende landerijen en privileges:

D HIII 43 (21 mei 1040 te Utrecht):[1] H. schenkt de bisschoppelijke kerk te Utrecht bezittingen te Leermens, Eenum en tussen Eems en Lauwers, in de graafschap van Rodulfus, die Uffo en zijn broers na goddeloze lichtzinnigheid door rechterlijke uitspraak verloren hebben.

D HIII 44 (21 mei 1040 te Utrecht): H. schenkt de bisschoppelijke kerk te Utrecht bezittingen te Uffelte, Wittelte en Peelo, die Uffo en zijn broers na goddeloze lichtzinnigheid door rechterlijk oordeel verloren hebben.

D. HIII 45(21 mei 1040 te Utrecht): H. schenkt de bisschoppelijke kerk te Utrecht een bezitting in Cruoninga (Groningen) met grafelijke rechten en andere rechten.

Deze giften waren niet bedoeld voor de bisschop, deze mocht er zelfs niet aankomen[2]. De reden van de schenking was het begraven in de St. Maartenskerk van de ingewanden van Koenraad II.  Politieke overwegingen speelden daarbij nog geen rol. De stoffelijke resten waren als onderpand, als “gijzelaar” in het bezit van de kerk[3] die nu, gepersonifieerd door de Heilige Martinus, iets van de koning kon verlangen wat hij niet zou weigeren.

Het ambt van de prefect, gelegen in de Villa Cruoninga, die tot de schenking behoorde, moet op dat moment vacant zijn geweest. Hier kreeg de Utrechtse bisschoppelijke kerk  gravenrechten, zij het met een beperking “comitatu strictione”. De oorkonde was bovendien, en dit is zeer ongewoon, voorzien van een gouden bul. Het is opvallend dat Hendrik III ook nu weer een symbool van Byzantijnse keizerlijke macht koos als het om familieaangelegenheden zoals het sterven van zijn vader ging. Ik kom hier nog op terug. Helaas zijn noch de bul, noch het originele handschrift van de oorkonde bewaard gebleven.

In oorkonde D.HIII 45 werd tevens bepaald dat de villa Cruoninga jaarlijks 30 karrenvrachten wijn aan de bisschop van Utrecht moest leveren. Het klimaat was in het midden van de 11e eeuw opvallend zacht. In Italië was de zomerhitte letterlijk moordend, IJsland en Groenland waren goed bewoonbaar en de wijngrens moet tijdelijk naar het noorden opgeschoven zijn. Aartsbisschop Adalbert van Hamburg-Bremen hield zich dan ook bezig met druiventeelt aan de Wezer. Toch viel er ook zeer veel regen, in de vorm van ongewoon zware buien. Hendrik III zag menige expeditie in het water vallen.

Heeft Hendrik III de villa Cruoninga en de prefectenhof ooit met eigen ogen gezien? Het gebied was ver gelegen van de koninklijke centra, de dichtstbijzijnde grote palts bevond zich in Zutphen. Een reizende koning was echter voor geen kleintje vervaard en waar vaste onderkomens ontbraken, sloeg hij een tentenkamp op. Van keizer Hendrik II wordt in een legende[4] beweerd dat hij een bezoek heeft gebracht aan Wolfsbarge aan het Zuidlaardermeer[5]. Hij zal niet de enige keizer geweest zijn die zich naar het hoge noorden begaf.  Oorkonde D.HIII 45 van 21 mei 1040 te Utrecht wekt de indruk dat Hendrik III de villa Cruoninga persoonlijk bezocht heeft om te onderzoeken hoe dit bezit eruit zag. Op dezelfde wijze bracht keizerin Gisela in 1039 een bezoek aan Lesum  (ten noorden van Bremen) en inspecteerde Hendrik III zelf de landgoederen in de mark Meißen die hij in 1046 erfde. Wanneer men het zeer letterlijk vertaalt staat er in de tekst:  “het volgende landgoed, (waar) wij zijn geweest om te willen zien/onderzoeken wat voor een (te) bezitten (of: die wij gezien hebben te bezitten) in de villa genaamd Cruoninga”. [6]

Het “itinerarium”, het reisdagboek  van Hendrik III biedt openingen voor een mogelijk bezoek aan dit grensgebied van het rijk. In 1036 verbleef hij van 6 juni tot 10 augustus in Nijmegen. Zijn echtgenote Gunhild was ziek. In 1039 was Koenraad II ziek en Hendrik vertoefde met zijn ouders noodgedwongen opnieuw lange tijd in Nijmegen, van 28 februari tot 26 mei. Hij zal zijn tijd niet slechts afwachtend doorgebracht hebben. Het is denkbaar, hoewel nergens overgeleverd, dat hij van de gelegenheid gebruik gemaakt heeft om de koningsgoederen in het noorden met een inspectiebezoek te vereren en de rechtsverhoudingen aldaar in kaart te brengen, misschien ook in aansluiting op de bovengenoemde reis die keizerin Gisela kort daarvoor nog aan het noorden van Saksen gemaakt had. Zij bezocht op 11 december 1038 het nieuw verworven goed Lesum bij Bremen, uit de nalatenschap van de rijke, op 3 december overleden Emma van Immedingen, dat waarschijnlijk bedoeld was als haar woonplaats voor het geval zij weduwe zou worden[7]. Dit laatste was niet denkbeeldig gezien de slechte gezondheidstoestand waarin Koenraad II uit Italië teruggekeerd was.

Er was meer koningsgoed in de omgeving van Groningen. Ten zuiden van de villa Cruoninga bevond zich op de Hondsrug het Go en het  dorp Haren met zijn “Olde Hof”, de “Mikkelhorst” en  de “Hof te Hemmen”. Oostelijk daarvan lag het veengebied het Wold, met de plaats Wolfsbarge.

Tot de terpdorpen die “over land bevaren of over zee bewandeld moesten worden” (Plinius), behoorden Oldehove (antiqua curtis), Leens met zijn Petruskerk en Baflo met een kerk van de Ottoonse heilige Laurentius, (die ook door Hendrik III vereerd werd).

De kerkjes van Haren en Noordlaren hadden Nicolaas en Bartholomeus als patroon, twee oosterse heiligen, wat mogelijk op een Ottoonse oorsprong wijst. Onder keizerin Theophanu kwam de Nicolaasverering in zwang en haar echtgenoot keizer Otto II heeft in 983 de relieken van de apostel Bartholomeus van Benevento naar Rome gebracht. Een deel van de schedel werd naar Frankfurt overgebracht.

Over de precieze ouderdom van de bijna identieke kerkjes in Haren en Noordlaren tast men nog in het duister, maar het is opmerkelijk dat de patroons hiervan heiligen waren die beiden vereerd werden door het echtpaar keizer Otto II en keizerin Theophanu.


[1] D. HIII 43, 44, 45.

[2] D. HIII 45: Et ne aliqua imperialis vel regalis aut episcopalism persona vel aliquis publicus exactor huius donationis nostre auctoritatem presumat infringer”

[3] D HIII 43: “in cuius ecclesia quasi pro pignore paterna sepelivimus viscera…” D HIII 44: “in cuius ecclesia quasi pro pignore paterna sepelivimus viscera, ut beatus Martinus nobis quasi debitori nostra requirat servicia…” D. HIII 45: “Chuonradi imperatoris cuius ventris interiora in eadem sepelivimus ecclesia..”

[4] In 983 had Otto II Bartholomeus vereerd door diens gebeente van Benevento naar Rome over te brengen. Oekumenisches Lexikon. Heilige Heinrich was in de middeleeuwen een populaire sint in de Noordelijke Nederlanden. Zijn status als min of meer lokale heilige werd aangestuurd door de abdij van Aduard als belangrijk grootveeneigenaar. Turf was in die dagen wat aardolie vandaag de dag is. De mare ging dat de keizer ergens tussen het huidige Stadskanaal en Ter Apel (Groningen) door de hemel zou zijn toegesproken. Wanneer is niet bekend, wel dat in 1268 de bisschop van Utrecht persoonlijk een relikwie van de Heilige Heinrich kwam inmetselen in de nieuwe kapel te Wolfsbarge, liggende in het veengebied van de abdij te Aduard.

[5] “Encyclopedie van Hollandse Heiligen”, Mohammed El-Fers.

(website http://digiboek.50megs.com/nlsinten/sint_h.htm)

[6]tale predium, quale nos visi fuimus tenere in villa Cruoninga nuncuptata ».

[7] Wolfram, H., Konrad II.,358.

  5 Responses to “Op bezoek in de Villa Cruoninga”

  1. Zo komt de geschiedenis weer dicht bij huis, grappig! Dit wist ik niet!
    En wat woon ik toch in een mooie stad;-)!

  2. De opmerking bij 4 en 8 zijn eender.

  3. Opvallend dat er in de 11e eeuw ook een opwarming van het klimaat was en dat zonder CO2 uitstoot.
    Vraag: Is het bekend waar die villa Cruoninga stond/staat?

    • Er zijn altijd klimaatschommelingen geweest. Zo werd de “Kleine IJstijd” (16e/17e eeuw) voorafgegaan door het “Middeleeuws Klimaatoptimum”. Er groeiden toen bijvoorbeeld wijnranken in Engeland en perziken in Vlaanderen.
      Het gebied dat de bisschop kreeg is het huidige Martinikerkhof. De villicus, de vertegenwoordiger van de bisschop woonde op de plek waar nu nog de Prinsenhof staat. Met villa Cruoninga, wordt een landgoed in Groningen bedoeld.

Sorry, the comment form is closed at this time.

   
© 2010 Ria van Loenen Suffusion theme by Sayontan Sinha