Op 1 januari 1047 hield Hendrik III als nieuwe keizer te Rome een ontvangst. Hij werd onder meer bezocht door een delegatie van het keizerlijke klooster Casauria en bekrachtigde de keuze van de priestermonnik Dominicus als abt. Op 3 januari mocht hij even een luchtje scheppen op de velden van St. Jan van Lateranen waar hij een ontmoeting had met heremieten van Camaldoli[1], de orde van Romuald. Op 5 januari was het Nieuwe Maan[2], waarna hij volgens de traditie het paleis mocht verlaten. Op 7 januari bevond de hofhouding zich alweer in de plaats Colonna. Keizerin Agnes, die zwanger was, zette de reis niet voort, maar keerde terug naar Ravenna om daar de geboorte van haar kind af te wachten. Ook werd het leger grotendeels ontslagen, Hendrik III rekende kennelijk niet meer op tegenstand.
Eind januari bracht hij een bezoek aan de abdij Monte Cassino, het moederklooster van de Benedictijner orde. Hij werd er eervol ontvangen, bekrachtigde de privileges van het klooster, stelde het onder keizerlijke bescherming, schonk een kostbaar sierkleed aan het altaar van St. Benedictus en ettelijke ponden goud.
In februari had hij in Capua een ontmoeting met de vorst Waimar en zijn Normandische vazallen, de graven Rudolf van Aversa en Drogo van Apulië. Hendrik ontnam Waimar het vorstendom Capua en gaf dit aan Pandulf IV die in 1038 door Koenraad II was afgezet en door de bewoners als een tiran werd beschouwd. Rudolf en Drogo werden leenmannen van de keizer en schonken hem rijke giften aan paarden en geld. Hij bekrachtigde hun bezittingen. Verder voorzag hij het klooster St. Vincentius aan de Volturnus van een Duitse abt (Liutfrid).
De burgers van Benevento hielden de poorten gesloten. Zij vreesden straf omdat zij kort tevoren Agnes van Anjou, de moeder van keizerin Agnes “slecht behandeld” hadden, toen deze op bedevaart was naar het heiligdom Monte Gargano. Hendrik slaagde er niet in de eer van zijn schoonmoeder te wreken, zijn belegering van Benevento leidde tot niets en moest worden afgebroken. De Beneventanen zouden bovendien de keizer belachelijk gemaakt hebben door de stijgbeugels van zijn paard af te snijden[3].
Het was een vernedering met symbolische betekenis, want “aan Koenraads zadel hingen de stijgbeugels van Karel de Grote” volgens Wipo[4]en men mag aannemen dat Hendrik inmiddels erfgenaam en eigenaar was geworden van diezelfde reliekachtige attributen.
Stijgbeugels komen pas voor vanaf de 8ste eeuw. De Romeinen kenden ze nog niet. Dankzij de stijgbeugel kwam een middeleeuwse ridder veel steviger in het zadel te zitten en kon hij vanaf zijn paard vechten met een zware wapenuitrusting.
Stijgbeugels hadden ook een rituele functie. Latere pausen stonden erop, wanneer zij te paard een keizer ontmoetten, dat deze van zijn edele ros afdaalde en als een stalknecht voor de paus de stijgbeugel vasthield bij het afstappen. Veel keizers hebben dit onderwerpingritueel voltrokken, met uitzondering van Frederik Barbarossa die de paus toebeet dat hij weliswaar een dienstknecht van God was, maar niet van de paus.[5]
[1] D.HIII 160
[3] Lupus Protospartar. 1046, MGH SS V, 59: imperator venit Beneventum. Beneventani vero ad eius iniuriam absciderunt strennas equi eius.
[4] Gesta Chuonradi, c. 6.
[5] Breuers, D., Ritter, Mönch und Bauersleut. Eine unterhaltsame Geschichte des Mittelalters. (Bergisch Gladbach, 1994). 109 ff.

Sorry, the comment form is closed at this time.