Qua afkomst was Hendrik IV geen Saks, maar een Frank. In de Rijnsteden Worms, Mainz en Speyer was hij thuis en werd hij ook in moeilijke tijden door de bevolking gesteund en gastvrij onthaald. Zijn vader Hendrik III was een afstammeling van de Frankische hertog Otto van Worms geweest en de meeste van zijn voorouders leefden aan beide oevers van de Rijn. Zijn moeder Agnes stamde uit het oude Karolingische hertogdom Aquitanië. Zij bracht “verwerpelijke” Frankische zeden naar de Elbe[1].             

De elfde eeuwse dichter met het pseudoniem Sextus Amarcius wijst er in een interessante en tot op heden in de geschiedschrijving veronachtzaamde passage op dat ook in het strijdlustige Saksen (“de Elbe van de oorlogen”) bedenkingen tegen deze “Frankische” huwelijksverbintenis bestonden (én tegen de daaruit voortvloeiende vrede). De Saksische paardenfokkerij zou concurrentie ondervinden van een nieuw paardenras, de Franse schimmel, en in plaats van serieuze gevechten (die onontbeerlijk waren voor het behalen van krijgsroem en oorlogsbuit) zouden er voortaan alleen nog “spelen” (tournooien?) plaatsvinden. “De Elbe van de oorlogen zal met hartstocht walgen van Athene. En zich schamen Franse hengsten in het rond te laten stappen, Roodbruine en blauwe schimmels met de zweep werk te geven, Daarna vatten de ruiters weer moed en geven zich over aan het spel. De worstelschool en schilden en dergelijke zetten ze opzij. Alle aanwezigen vallen ten prooi aan een vrolijk leven dat iedereen op de proef stelt van God te zijn, weerlegd door de vijanden. Niemand kan tegelijkertijd twee heren dienen. Door grote smaad bedreigd is de hofkliek van de koning. De hooggeplaatsten zullen daarna de rammelaar van een kind zien. Geenszins ziet het geslacht de kerk. Moge ieder die de hal van de vorst straks bezoekt de hoop van de wereld en de vrees verwerpen. Gelukkige armoede die niet hoopt noch vreest! Want de greppels van de Styx houden de begerigen van de wereld vast De vrouw van Lot werd een zoutpilaar, laten wij niet omkijken.[2]

Ook de “verwijfde” mode die met de Fransen zijn intrede deed, was bij Amarcius een steen des aanstoots: “…de jongemannen wier vingers een gladde ring siert, die hun gekrulde haar over de jonge nek werpen en onder de enkels de bontgekleurde puntschoenen met geelachtige riempjes versieren, de hoge laarzen van het volk verachten, bij zichzelf zeggend: “Wat schaadt de schone schijn?”

Hendrik III zelf krijgt ook een veeg uit de pan. De anders zo vrome en deugdzame koning is hier een “bekrompen monarch van de wereld” en niet  “ijverig of voortreffelijk”.“Maar jij, die je met de zorg voor het ware vaderland bezighoudt, verwerp de valse macht. Vlucht van de blinde bezigheden van de wereld… Een bekrompen monarch van de wereld wordt opgesloten in een graf. IJverig en voortreffelijk ben je niet, behalve dan dat duizend ogen je zien en dat mensen zeggen :‘Dit huwelijk schrijdt naar het licht, dat zich kleedt in marterbont, beverhuid, elegant genaaid aan fijn linnen, grijze pelsmantel’. Zo verblindt het ontvangen van vreemdelingen velen, met kostbare kleding van gulae en purper.”[3]

De betekenis van de raadselachtige gulae bleef tot dusver onopgehelderd. Gulae is volgens sommigen afgeleid van het franse woord gueules, keelholtes, en het zou daarbij gaan om rode stukken pels. Deze modieuze pelsstukken worden in verschillende geschriften genoemd. Ze vormen een aanwijzing voor de invloed van de Franse mode aan het hof rond 1044, de benoeming van bisschop Azelin van Hildesheim. Deze waarschijnlijk door Agnes geïntroduceerde bisschop stak met zijn  “verwijfde kleding” en gulae vreemd af bij de eenvoudig geklede leerlingen van de Hildesheimer kathedraalschool: “Zelfs verwijfde kleding was hun zorg niet, zoals de rode stukken pels waarover de priester (Azelin) in vuur en vlam was, ze kenden geen tongen van bont en handschoenen; niet met Griekse mantels maar met zwarte lompen versierden zij zich.”[4] 

Zij zouden wel eens verband kunnen houden met de in Poitiers bestaande cultus van de heilige Radegonde en in het bijzonder met het verhaal van de ‘Grand’Goule’.[5] In het ondergrondse Poitiers leefde een verschrikkelijke draak die “Grand’Goule” werd genoemd. Mensen die hem tegenkwamen werden onmiddellijk verslonden. De nonnen van de Sainte-Croix abdij smeekten Sint Radegonde om in te grijpen. De zeer moedige heilige ging op het beest af met een relikwie van het Kruis dat geschonken was door de keizer van Byzantium. Bij de aanblik van dit heilige reliek, werd het ondier geveld.

                Beelden van de “Grand’Goule” werden door de straten van de stad in de processies meegedragen tijdens de Kruisdagen, drie dagen voor Hemelvaart. De inwoners van Poitiers wierpen dan met koekjes genaamd “casse-museaux”, zeggend: “Bescherm ons Grand’Goule”, “Bescherm ons voor het komende jaar.” Iets dergelijks zou misschien ook de functie van de gulae geweest kunnen zijn, een soort gelukbrengende talismannen die naar de “Grand’Goule” van Poitiers verwezen. Gueule betekent bek of muil; casser la gueule à is iemand op zijn bek slaan en museau is de snuit van een dier. Casse-musseaux wil dus zoiets zeggen als: sla de snuit (van de draak).

Zowel in vaderlijke als in moederlijke lijn stamde Hendrik IV af van de “Saxenslachter” Karel de Grote, die bij zijn agressieve verbreiding van Christendom tienduizenden Saksen had gedood. De verwachting was dat hij de “politiek” van zijn voorvaderen en in het bijzonder zijn vader Hendrik III zou voortzetten met de bedoeling het Saksische volk tot slavernij te dwingen. Men kon met zo’n kind beter geen risico nemen; hij moest gedood worden nu hij nog jong was.

In 1057 besloten de Saksische edelen korte metten met de 7-jarige te maken:

“De Saksische vorsten vergaderden op frequente bijeenkomsten over de ongerechtigheden die hen onder de keizer [Hendrik III] waren aangedaan en zij geloofden zich daarvoor geen betere genoegdoening te kunnen verschaffen dan zijn zoon de rijksregering te ontworstelen, zolang zijn jeugd een gunstige gelegenheid voor zo’n gewelddaad bood. Het vermoeden lag immers voor de hand, dat de zoon in karakter en leefwijze zoals men pleegt te zeggen, in de voetstappen van zijn vader zou treden… zij besloten de koning te doden wanneer zich ook maar een gelegenheid voordeed.”[6]

Na de dood van Hendrik III deed keizerin Agnes al het mogelijke om het de Saksische edelen met landschenkingen en restituties naar de zin te maken.[7]

Hendrik IV is geboren in de keizerpalts van het Saksische Goslar en hier bracht hij het grootste deel van zijn jeugd door. Dankzij de zilvermijn in de naburige Rammelsberg beschikte deze palts over genoeg financiële middelen om de hofhouding wel twee maanden achter elkaar te kunnen verzorgen. Het moet een naargeestige plek geweest zijn voor een gevoelig kind. Het was hier in het middelgebergte altijd kouder dan in het omliggende land en de sneeuw viel al vroeg in het jaar. De lucht was vervuld van houtrook door de aanwezigheid van de vele kolenbranderijen, die brandstof leverde voor de ertsindustrie. De ertskarren van de mijnwerkers ratelden met veel lawaai over de keien. Alles in Goslar draaide om de mijn.  De palts was een enclave in vijandelijk gebied, omringd door donkere wouden, vol wilde dieren en heksen. Als een voortdurend memento mori was in de tegenoverliggende kerk het hart van Hendriks vader begraven, naast het graf van een van zijn jonggestorven zusters.

Op 11 november 1065 kon Hendrik hier zijn 15e verjaardag vieren. De jonge koning had grote plannen, die hem werden ingefluisterd door vice-dominus Benno, de beheerder van de palts, en door zijn mentor aartsbisschop Adalbert, aan wie hij kort tevoren nog omvangrijke privileges geschonken had. In Saksen moest de rechtsorde worden hersteld.

                Hendrik IV was zich van zijn afkomst bewust en hij beschouwde Karel de Grote als zijn voorbeeld. Het werd zijn ideaal het rijk en de gebruiken van de grote Karel in ere te herstellen.

                Heinricus, cum ad maturam venisset aetatem, relicto episcopo [Anno], secundum propriam vixit voluntatem, promittensque Karolum Magnum suo seculo sese representaturum, Roboam[8] se representatavit. Anno curiae se abdicavit ideo, in ocia se recipiens. Adelbertus Bremensis archiepiscopus loco eius non industriae, substituitur.[9]

Via een oorkonde voor het Mariastift te Aken liet hij in 1076 proclameren:

antecessorum nostrorum regum seu imperatorum exemplis didicimus, quantum honoris et utilitatis regibus contulerit et negaverit honor et status ecclesiarum ab eisdem regibus servatus et adauctus, neglectus et minutus. Ut enim de bonis sumamus exempla, sic magni Karoli imperatoris dive memorie consuevit facere prudentia, qui ecclesias fundavit, fundatas prediis ditavit, honore ampliavit, religion dilatavit: in cuius dilatatione quantum honoris et commodi sibi et regno contulerit, magni  nominis eius fama in universali adhuc servat ecclesia. Cuius meritorum et virtutis commemoratio procul dubio successsorum est edificatio; quem et nos pro posse dei adiutorio imitari cupientes, eius exemplo re nostras ampliari et regni statum dilatari credimus, sie eius exemplo … religionem ecclesiarum servare voluerimus[10].

 

Voorgeschiedenis van de opstand

Vanaf 1065:  Hendrik IV laat zes nieuwe burchten bouwen rondom het koningsgoed in de Harz.

1066:  Aartsbisschop Adalbert door de vorsten ten val gebracht. 13 juli (Dag van de “kuise” heilige keizer Hendrik II):  Hendrik IV wordt tegen zijn wil uitgehuwelijkt aan Bertha van Turijn.

1070:  Otto von Nordheim wordt ervan beschuldigd een aanslag op Hendrik IV te hebben voorbereid.

1073-1075 Saksenopstand.

Aanleiding – maar geen structurele oorzaak – tot de uitbarsting van het conflict was een hofdag op het feest van de apostelen Petrus en Paulus (29 juni) in Goslar, waartoe Hendrik IV de bisschoppen, hertogen en graven had uitgenodigd. Volgens Bruno zou de koning echter de hele dag niemand te woord gestaan hebben, maar de deuren van zijn kamer gesloten hebben gehouden, waar hij “met zijn kruiperige hovelingen het dobbelspel en andere onnutte dingen bedreven” zou hebben, “onbekommerd erover dat hij zoveel belangrijke mannen voor zijn deur liet wachten alsof zij de nederigste knechten waren. Zo verging de hele dag, zonder dat hij zelf of een bode, die de waarheid bericht zou hebben naar buiten kwam. Toen het al nacht geworden was, kwam een van zijn hovelingen naar buiten en vroeg de vorsten honend, hoe lang zij daar nog wilden wachten, daar de koning al door een andere deur naar buiten gegaan was en in snelle rit naar zijn burcht ijlde. Toen geraakten allen over de smadelijk hoogmoedige behandeling van de koning dermate in opwinding, dat zij hem nog in dat uur zonder schuwheid openlijk de trouw opgezegd zouden hebben, als niet markgraaf Dedi dankzij zijn wijsheid hun toorn bezwicht  had.” Dat Hendrik IV een hofdag voor het hele rijk georganiseerd zou hebben en vervolgens de hele dag niemand van de edelen te woord zou hebben gestaan, lijkt ongeloofwaardig. Het ging om een aparte groep Saksische edelen, die wist door te dringen tot zijn privé-vertrekken. Het is twijfelachtig of het gebruikelijk en toegestaan was om zich op een dergelijke manier toegang tot de koning te verschaffen[11]. Hendriks reactie toont wel dat hij geschrokken was van deze inbreuk in zijn privé-sfeer. Hij verliet de palts van Goslar door een andere uitgang en begaf zich met grote haast naar zijn burcht (waarschijnlijk de Harzburg) –  vermoedelijk omdat hij het niet meer veilig vond de nacht in Goslar door te brengen. Dit zegt meer over het provocatieve karakter van het optreden van de Saksen dan over dat van de koning.

                De Saksische edelen, die nog dezelfde nacht gezamenlijk gezworen hadden “liever te sterven dan een leven in smaad en schande te leiden”[12] riepen nu hun stamgenoten op tot een bijeenkomst in Hoetensleben. Hertog Otto van Northeim, zelf eigenaar van de grootste burcht van Saksen, de Diesenburg bij Paderborn, hield volgens Bruno de volgende toespraak, waarin het een somber beeld schetste, van wat naar zijn mening de koning van plan was te doen:

De onbillijkheid en smaad, die onze koning al sinds lang over ieder van jullie gebracht heeft, zijn groot en ondraaglijk; maar wat hij zich voorgenomen heeft te doen, als de almachtige God het toelaat, is nog veel groter en zwaarder. Sterke burchten heeft hij, zoals jullie weten, in grote getale [het ging in werkelijkheid om zes burchten] op van nature vaste plaatsen opgericht en tamelijk beduidende krachten van zijn vazallen met alle soorten wapens rijkelijk voorzien erin ondergebracht. Wat deze burchten betekenen hebben de meeste van jullie reeds ondervonden en als niet Gods barmhartigheid en jullie macht het verhinderen, zullen allen het spoedig weten. Want niet tegen de heidenen, die ons hele grensgebied verwoest hebben [het bewaken van de grens met de naburige Wendische stammen was overigens een plicht van de Saksische markgraven, die zij dus kennelijk niet voldoende nagekomen waren] zijn zij opgericht, maar midden in ons land, waar niemand hem van plan was aan te vallen [Hendrik IV werd al vanaf 1057 in Saksen met de dood bedreigd] werden deze bolwerken bevestigd. Jullie, die en de nabijheid wonen, nemen zij met geweld eigendommen af en slepen die in deze burchten, jullie vrouwen en dochters misbruikten zij naar believen voor hun lust. Jullie knechten en zelfs jullie trekvee eisen zij naar believen voor hun dienst, ja zelfs jullie zelf dwingen zij elke last – al is het nog zo schandelijk – op jullie schouders te dragen. Maar als  ik mij in gedachten voorstel wat ons nog te wachten staat, schijnt mij alles wat jullie nu dulden nog dragelijk. Als hij namelijk zijn burchten in ons land eerst naar eigen goeddunken gebouwd en ze met bewapende krijgers en alle overige benodigdheden uitgerust heeft, dan zullen zij jullie have niet meer afzonderlijk plunderen, maar alles wat jullie bezitten zal hij jullie met één slag ontnemen, jullie goederen aan vreemden geven en jullie zelf, vrije en edele mannen als knechten laten dienen”.[13]

Onder de indruk van Otto van Nordheims toekomstvisioen van een totale onderwerping van Saksen, sloten de aanwezige Saksische edelen zich aaneen tot één groot leger, een maximus exercitus, dat onmiddellijk naar de Harzburg trok, waar Hendrik IV zich nietsvermoedend bevond. Zij brachten een eisenpakket naar voren dat door de koning ingewilligd moest worden, anders zouden zij tegen hem een gerechtvaardigde oorlog, een bellum iustum voeren.

Nog nooit waren er zulke zware beschuldigingen tegen een koning uitgesproken.[14] Hendrik IV voelde zich diep beledigd, in zijn eer aangetast[15] en sprak van “de misdaad van majesteitsschennis(crimen laesa maiestatis).[16] Hij weigerde aan de eisen van de Saksen gehoor te geven en stuurde zelfs zijn eigen raadgevers weg toen zij hierop aan bleven dringen[17]. Dat de beschuldigingen die door de Saksen tegen Hendrik IV naar voren gebracht werden fictief waren, wordt benadrukt door de schrijver van de Vita Heinrici, die spreekt van “verzonnen en bijeengeschreven misdaden, die mij misselijk zouden maken als ik ze opschreef en jou als je ze zou lezen”.[18]

 De burchten van Hendrik IV waren een bron van ergernis voor de Saksen (Harzburg, juli 2009)

Sorry, the comment form is closed at this time.

 
© 2010 Ria van Loenen Suffusion theme by Sayontan Sinha