De tijd van de priesterkoningen

 

Hendrik III leefde bijna duizend jaar geleden, in een tijd waarmee wij ons nog maar moeilijk kunnen identificeren. Het antropocentrisch denken was nog niet tot norm verheven. Niet de mens zelf, maar God en het goddelijke of bovennatuurlijke vormden de eigenlijke zin van het bestaan. Ondanks, of misschien juist dankzij, dit de moderne Westerse mens irriterende wereldbeeld werd de elfde eeuw voor veel culturen een periode van toenemende welvaart en bloei. In elk geval geldt dat voor Byzantium, China, Japan, India, Midden-Amerika, West-Afrika en het Islamitische rijk van de Fatamiden.

Voor wie hier van op kijkt wil ik een korte beschrijving weergeven van de belangrijkste culturen rond het jaar 1000. Er is al veel over geschreven in het ‘Millenniumjaar’ 2000.

Op de grens tussen Europa en Azië lag het Byzantijnse Rijk, dat onder keizer Basileios II (976-1025) zijn grootste uitbreiding bereikte. Het huidige Turkije, Armenië, Griekenland, de Balkan en een groot deel van Zuid-Italië behoorden tot dit rijk, dat zichzelf het Oost-Romeinse Imperium noemde. De theocratische keizer regeerde de staat door een uniforme, overal geldige rechtsorde, gesteund op een centralistisch georganiseerd bestuursapparaat en efficiënt opererend leger. De hoofdstad Constantinopel was de enige stad in Europa die deze naam verdiende en was met een half miljoen inwoners de sterkste vesting en het belangrijkste handelscentrum van het Middellandse zeegebied.

In China, waarschijnlijk het meest ontwikkelde land van die dagen, regeerde van 960 tot 1279 de Songdynastie van de familie Zhao. Onder hun bewind werd het land verenigd en vonden politieke en economische hervormingen plaats. In het bestuur werd de aristocratie vervangen door ambtenaargeleerden en er werd een systeem van staatsexamens ingevoerd. De boekdrukkunst zorgde voor literaire bloei en de geldeconomie verving in toenemende mate de ruilhandel. Staatsmonopolies op de belangrijkste producten, zoals zijde en porselein, brachten inkomsten en beschermden tegen buitenlandse concurrentie. De overzeese handel nam toe en leidde tot het ontstaan van havensteden en scheepsbouwindustrie.

In Japan had tijdens de Heian-periode (794-1185) de keizer zijn politieke macht grotendeels verloren en fungeerde nu als geestelijk leider van de natie. Het hof resideerde in de hoofdstad Kyoto met veel pracht en praal. Het was de klassieke tijd van de aristocratie. Kunst en wetenschap kwamen tot bloei en het beroemdste prozawerk was de roman Genji-Monogatari, geschreven door de hofdame Murasaki Shikibu (975-1031). Ook hier vonden economische en technische verbeteringen plaats die de economie bevorderden.

Ook India werd door autocratische koningen geregeerd, die zich gesteund wisten door een uitgebreid ambtenarenapparaat. In het noorden van het land heerste de Pala-dynastie (740-1125) die overging tot het Boeddhisme. Zij stichtten heilige plaatsen zoals Nalanda, waar grote en beroemde kloosteruniversiteiten ontstonden. In het westen breidde zich de Islam zich uit door de veroveringstochten van Mahmud van Ghazni (998-1030). In het noorden raakte de Sanskrit-literatuur na het verdwijnen van de Utpala-dynastie (855-1003) in verval. In het zuiden ontwikkelde zich de Tamil-dynastie, die haar macht uitbreidde tot Sri Lanka, Maleisië en Sumatra.

Geïsoleerd, naar men gewoonlijk aanneemt,  van de rest van de wereld ontwikkelde zich ook in Midden-Amerika een hoogstaande cultuur.  In de 9e eeuw drongen de Tolteken het hoogland van Mexico binnen en vestigden hun hoofdstad Tollan ten noordwesten van de verlaten metropool Teotihuacan. Een van hun heersers en hogepriesters was de legendarische  Quetzalcoatl, de “Gevederde Slang”. Hij trok omstreeks het jaar 1000 met zijn aanhangers naar de Golfkust en ontwikkelde de zogeheten tweede bloei van de Maya-cultuur.

Over de Afrikaanse koningshoven in Benin, Nigeria en Ivoorkust is bij gebrek aan geschreven bronnen minder bekend, maar de metalen en keramische siervoorwerpen en beelden die hier werden voortgebracht wijzen eveneens op een periode van ongekende culturele bloei.

In de Arabische wereld heersten officieel de Abbasiden (750-1258), de kaliefen van Bagdad, maar zij ondervonden in toenemende mate concurrentie van de Fatimiden die Cairo tot hun hoofdstad maakten. Zij veroverden de Islamitische wereld van de Eufraat tot de Atlantische Oceaan. Hun ambtenarenapparaat, dat overwegend uit niet-moslims bestond, kenmerkte zich door tolerantie en efficiëntie. In Spanje regeerden sinds 756 de onafhankelijke Omaijaden en handhaafden van 929 tot 1031 een onafhankelijk Kalifaat. Een van hun culturele topprestaties was de Grote Moskee in Cordoba met zijn oppervlakte van 105x116m en circa 600 zuilen.

Het grotendeels ongeletterde en nog half heidense Europa behoorde rond het jaar 1000 in intellectueel opzicht bepaald niet tot de koplopers. Maar ook hier vond sinds de 10e eeuw met de invoering van het Ottoonse stelsel een ontwikkeling plaats in de richting van een centralistisch priesterkoningschap, met rijksbisschoppen in de rol keizerlijke ambtenaren. Van deze ontwikkeling vormde de regering van Hendrik III het hoogtepunt.

Over interculturele contacten in de elfde eeuw is bijzonder weinig opgeschreven. Er werd echter wel degelijk gereisd. Christelijke pelgrims bezochten het Midden-Oosten. Arabische handelaren bevoeren de Middellandse Zee, de kusten van Afrika en de Indische Oceaan. Zij doorkruisten de Sahara op weg naar Timbuktu. China was bereikbaar via de beroemde Zijderoute. Vikingen koloniseerden niet alleen IJsland en Groenland, maar verkenden ook de Oost-Amerikaanse kust. Bovendien drongen zij door tot diep in Rusland en maakten kennis met de Byzantijnse beschaving.

Een tekening uit de 10e eeuw door Zhao Guangfu met de titel “Barbarenvorsten vereren de Boeddha” toont blonde en bebaarde , verward om zich heen kijkende mannen met Europese gelaatstrekken.

Het land aan de Indus wordt genoemd in de elfde-eeuwse dierfabel Ecbasis Cuiusdam Captivi. De Grote Koning uit de ridderroman Ruodlieb die in dezelfde periode tot stand kwam, is heerser over Afrika. Hoe weinig de volkeren uit de elfde eeuw misschien ook begrepen van elkaars culturen, hoezeer er gespeculeerd werd over monsters, mythen en onbegrijpelijke gebruiken, men was zich ervan bewust dat de aarde rond was en niet plat, dat de wereld niet ophield achter de horizon. Men wist van elkaars bestaan, al was het alleen maar van horen zeggen.