Wie kent nog zijn naam?

 

Op 15 augustus 1039, tijdens het feest van ’Maria ten Hemelopneming’, in de St. Servaaskerk van Maastricht, begon Hendrik III zijn regering als opvolger van zijn vader Koenraad II, de gestorven Rooms-koning en keizer van het Heilige Roomse Rijk.

In 1990 vierde de stad Groningen haar 950-jarig bestaan. Zij ontleende dit feit aan de oudste geschreven vermelding van “beperkte gravenrechten[1] in de “villa Cruoninga”[2], die volgens een oorkonde van 21 mei 1040[3] door Hendrik III geschonken werden aan het kapittel van de St. Maartenskerk  (de Dom) te Utrecht.

“Groningen 1040” was in het semester 1988/1989 voor de vakgroep Middeleeuwse Geschiedenis van de Rijksuniversiteit Groningen het onderwerp van een serie colleges, die afgesloten werd met een publicatie.[4] Als studente maakte ik destijds deel uit van de themagroep die het vooronderzoek mocht doen en ik kreeg daarbij twee opdrachten: het reisdagboek (itinerarium) van keizer Hendrik III samenstellen en mijn visie op diens kerkelijke politiek beschrijven.

De Hendrik III die ik in dat Groningse jubileumjaar leerde kennen bleek nogal drastisch te verschillen van de keizers en koningen uit sprookjesboeken. Er was nergens sprake van een hoofdstad, zelfs geen paleis, maar de vorst reed zelf met de hele hofhouding achter zich aan van het ene logement naar het andere langs de onverharde wegen van zijn onmetelijke rijk. In 18 jaar tijd legde hij bijna 50.000 km af[5], te paard, of soms per schip langs de grote rivieren, het hele jaar door, in weer en wind. Het was een hard leven, waar zijn gezondheid vaak ernstig onder te lijden had.

Ook de taakopvatting van deze koning was anders dan we gewend zijn. Hij fungeerde niet alleen de heerser van een wereldrijk, maar stond  ook aan het hoofd van de kerk. De Keizer en niet de Paus gold in die tijd als ‘Vicarius Christi’, Plaatsbekleder van Christus op aarde. Hij had het recht nieuwe pausen en bisschoppen te benoemen en door zijn navolging van het leven van Christus gaf hij het goede voorbeeld aan het volk. Het was een dubbele verantwoordelijkheid en een haast onmogelijke opgave om alle belangen te behartigen.

Zonder aarzeling besloot ik mijn Doctoraalscriptie geheel te wijden aan het leven van deze onbekende figuur, die bij al zijn ambities en plichten ook vaak over een verrassende humor bleek te beschikken, een muziekliefhebber en boekenwurm, die bij voorkeur ’s nachts leefde als hij eindelijk zijn eigen gang kon gaan. Ik werd geraakt door de tragiek van dit zwervende leven, van de discrepantie tussen macht en onmacht.

Bovendien vond ik een hoeveelheid gegevens die groter was dan in een scriptie verwerkt kon worden. Ik heb zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de oudste bronnen en de oorspronkelijke Latijnse teksten. Vertalen uit het Latijn is veelal een kwestie van interpretatie en de betekenis die je aan een enkel woord geeft, kan een hele tekst op zijn kop zetten. Het is een riskante zaak, het maar kan soms tot verrassende nieuwe inzichten leiden. Al puzzelend en combinerend kwam ik tot een nuancering van het bestaande beeld,  die de publicatie van deze levensbeschrijving leek te rechtvaardigen.

Er was namelijk nog niet eerder een biografie over Hendrik III verschenen. De levensfeiten van deze heerser die door zijn tijdgenoten vaak geprezen werd als de grootste keizer, konden alleen maar bijeen gezocht worden uit gepubliceerde oorkonden, annalen en deelstudies. Enkele tijdgenoten zoals hofkapelaan Wipo de geleerde monnik Hermann van Reichenau hebben wel plannen gehad om zijn biografie te schrijven, maar zij overleden voordat het zover kwam.

Zelfs in moderne publicaties over de “Saliërs”, aan wie in de afgelopen jaren in Speyer en Paderborn grote overzichtstentoonstellingen gewijd zijn, neemt Hendrik III nog steeds een onopvallende en bescheiden plaats in. Meer aandacht wordt besteed aan Koenraad II, die als grondlegger van het rijk in de volle omvang werd gezien en over Canossaganger Hendrik IV met zijn dramatische strijd om de macht over de kerk en het rijk te behouden. Ook aan Hendrik V, de laatste Saliër en zoon van Hendrik IV, die de strijd tussen kerk en staat ten slotte wist bij te leggen, is nooit een omvattende biografie gewijd. Er wordt nog steeds gewerkt een editie van zijn oorkonden. Er lijkt meer belangstelling te zijn voor assertieve heersers in hun strijd om de  uitbreiding van macht dan voor de stabiliserende werking van Hendrik III en Hendrik V in hun pogingen continuïteit te bewaren en schade beperkt te houden.

Geen van de koningen en keizers van het Heilige Roomse Rijk heeft een groter territorium onder zijn hoede dan Hendrik III. Het strekte zich uit van de Friese kust tot de Golf van Napels, van de Franse Alpen tot het Bohemer Woud, een rijk dat diverse talen en culturen herbergde. Zelf niet wetend dat hij in de “middeleeuwen” leefde, kon hij zich beschouwen als de rechtmatige erfgenaam van het Romeinse Imperium, dat nog steeds bestond in het collectieve onderbewustzijn en waarvan men altijd nog hoopte dat het in de oude luister hersteld kon worden. Breuklijnen in de geschiedenis worden immers achteraf geconstrueerd door historici, tijdgenoten zijn zich hiervan nog niet bewust.

Hendrik III droeg een eindeloze reeks titels: koning van Duitsland, koning van Italië, koning van Bourgondië, leenheer van Vlaanderen, Hongarije en Polen, hertog van Beieren, Zwaben en Karinthië. Als “Patricius van Rome” heerste hij over het Vaticaan en de Paus. Zelf was hij van Byzantijnse afkomst – of, wat misschien meer over hem zegt, hij meende dit te zijn. Door twee huwelijken werd hij verbonden met het Engels/Scandinavische gebied en met het voormalige West-Frankenland. Zonder twijfel was hij de invloedrijkste Europese vorst sinds Karel de Grote.

Weinig Nederlanders zijn zich er tegenwoordig nog van bewust dat hun land ooit opgenomen was in een Europees rijk met een keizer aan het hoofd. In het onderwijs werden de episodes tussen 800 en 1579 gewoonlijk aangeduid met “de Frankische tijd”, “de Graventijd” of “de Landsheerlijke periode”, maar nooit met “de Keizertijd”. Daardoor lijkt het alsof de Nederlanden allang voor de oprichting van de Unie van Utrecht een aparte status genoten en dat het wettige staatshoofd, de keizer, slechts een zeer vage schim op de achtergrond was met wie men eigenlijk geen rekening hoefde te houden. Dit beeld is echter vertekend en het gevolg van een nationalistische tendens in de geschiedschrijving van de 19e en vroege 20ste eeuw, die tot doel had de leerlingen “vaderlandsliefde” bij te brengen en die tot op de huidige dag in dit opzicht geen principiële wijziging heeft ondergaan. Ook de “Canon van Nederland” kent geen andere Middeleeuwse heersers dan Karel de Grote en graaf Floris de Vijfde.

Het is een historiografie die, als het ware om een distantie te scheppen, consequent woorden als “Frankische koning”, “Duitse Keizer” of “Rooms-Koning” gebruikt, zelfs als de betreffende vorst in zeer nabijgelegen streken geboren was, bijvoorbeeld even ten zuiden van het huidige Limburg, zoals Karel de Grote, in een bos bij Nijmegen zoals Otto III, of waarschijnlijk in Oosterbeek bij Arnhem zoals Hendrik III. Deze in Nederland geboren ‘Duitsers’ men liever op een veilige afstand. Voor hen waren er geen standbeelden[6], straatnamen of gedenkpenningen want zij droegen niet bij tot het ideaalbeeld van de onafhankelijke Nederlanden.

Ook de Duitse geschiedschrijving van de 19e eeuw was, in nog sterkere mate, een instrument geworden voor nationale en nationalistische bespiegelingen. Tijdens het Tweede Keizerrijk en de periode Bismarck raakte het historisch denken sterk gepolitiseerd. De “Fransoos” Karel de Grote werd als “Saksenslachter” verafschuwd. De christelijke vergevingsgezindheid van de Ottoonse keizers was in vergetelheid geraakt als een vorm van staatsmanskunst. De Hohenstaufen echter, die een genadeloze bloedwraak binnen hun eigen familie beoefenden, verschenen plotseling als stralende helden. Hoewel hij gedurende 18 jaar een vruchteloze strijd tegen paus Alexander II had gevoerd, kon Frederik Barbarossa uitgroeien tot figuur van mythologische proporties. Frederik II, die een heel rijk in zijn ondergang meesleepte, is getypeerd als “de eerste moderne mens op de troon”.

De Salische keizers hebben de Duitse nationalistische fantasie van die tijd nooit erg kunnen bevleugelen. Koenraad II werd nog wel gewaardeerd als krachtige vermeerderaar van het Rijk, maar zijn zoon Hendrik III paste eigenlijk in geen enkele bekende categorie.

Hendrik III  stierf onverwacht, tijdens een feestelijke bijeenkomst. In september 1056 kreeg hij bezoek van paus Victor II en nadat zij gezamenlijk het feest van de geboorte van Maria op 8 september gevierd hadden, vertrokken zij voor de herfstjacht naar Bodfeld in de Harz. Terwijl de keizer overmoedig achter een groot everzwijn aan galoppeerde, gleed hij van zijn paard en werd over de grond gesleept[7]. De verwondingen moeten ernstig geweest zijn; hij overleed precies een week later. Het was allemaal niet nodig geweest want welke keizer gaat er nu op zwijnenjacht met een paus? Hiermee raken we echter de kern van de zaak.

[1] “comitatu strictione”.

[2] “een landgoed in Groningen”.

[3] D H III 45.

[4] Groningen 1040. Archeologie en oudste geschiedenis van de stad Groningen. (red. drs. J.W. Boersma, drs. J.F.J. van den Broek, drs. ing. G.J.D. Offerman) (Bedum, 1990).

[5] Schwarzmaier, H. (1992), 88..

[6]  Een uitzondering vormt Nijmegen met zijn Keizer Karelplein en standbeeld.

[7] Epitaphium, een gedicht dat als grafschrift voor Hendrik III werd geschreven.