De diefstal van de stijgbeugels

 Hendrik III  Reageren uitgeschakeld
jan 142011
 

 

Een Duitse keizer vergezeld van drie ridders (Giovanni Villani Chronicon).

Op 1 januari 1047 hield Hendrik III als nieuwe keizer te Rome een ontvangst. Hij werd onder meer bezocht door een delegatie van het keizerlijke klooster Casauria en bekrachtigde de keuze van de priestermonnik Dominicus als abt.  Op 3 januari mocht hij even een luchtje scheppen op de velden van St. Jan van Lateranen waar hij een ontmoeting had met heremieten van Camaldoli[1], de orde van Romuald. Op 5 januari was het Nieuwe Maan[2], waarna hij volgens de traditie het  paleis mocht verlaten. Op 7 januari bevond de hofhouding zich alweer in de plaats Colonna. Keizerin Agnes, die zwanger was, zette de reis niet voort, maar keerde terug naar Ravenna om daar de geboorte van haar kind af te wachten. Ook werd het leger grotendeels ontslagen, Hendrik III rekende kennelijk niet meer op tegenstand.

Eind januari bracht hij een bezoek aan de abdij Monte Cassino, het moederklooster van de Benedictijner orde. Hij werd er eervol ontvangen, bekrachtigde de privileges van het klooster, stelde het onder keizerlijke bescherming, schonk een kostbaar sierkleed aan het altaar van St. Benedictus en ettelijke ponden goud.

In februari had hij in Capua een ontmoeting met de vorst Waimar en zijn Normandische vazallen, de graven Rudolf van Aversa en Drogo van Apulië. Hendrik ontnam Waimar het vorstendom Capua en gaf dit aan Pandulf IV die in 1038 door Koenraad II was afgezet en door de bewoners als een tiran werd beschouwd. Rudolf en Drogo werden leenmannen van de keizer en schonken hem rijke giften aan paarden en geld. Hij bekrachtigde hun bezittingen. Verder voorzag hij het klooster St. Vincentius aan de Volturnus van een Duitse abt (Liutfrid).

            De burgers van Benevento hielden de poorten gesloten. Zij vreesden straf omdat zij kort tevoren Agnes van Anjou, de moeder van keizerin Agnes “slecht behandeld” hadden, toen deze op bedevaart was naar het heiligdom Monte Gargano. Hendrik slaagde er niet in de eer van zijn schoonmoeder te wreken, zijn belegering van Benevento leidde tot niets en moest worden afgebroken. De Beneventanen zouden bovendien de keizer belachelijk gemaakt hebben door de stijgbeugels van zijn paard af te snijden[3].

 Het was een vernedering met symbolische betekenis, want “aan Koenraads zadel hingen de stijgbeugels van Karel de Grote” volgens Wipo[4]en men mag aannemen dat Hendrik inmiddels erfgenaam en eigenaar was geworden van diezelfde reliekachtige attributen.

Stijgbeugels komen pas voor vanaf de  8ste eeuw. De Romeinen kenden ze nog niet. Dankzij de stijgbeugel kwam een middeleeuwse ridder veel steviger in het zadel te zitten en kon hij vanaf zijn paard vechten met een zware wapenuitrusting.

Stijgbeugels hadden ook een rituele functie. Latere pausen stonden erop, wanneer zij te paard een keizer ontmoetten, dat deze van zijn edele ros afdaalde en als een stalknecht voor de paus de stijgbeugel vasthield bij het afstappen. Veel keizers hebben dit onderwerpingritueel voltrokken, met uitzondering van Frederik Barbarossa die de paus toebeet dat hij weliswaar een dienstknecht van God was, maar niet van de paus.[5]


[1] D.HIII 160

[2] www.astrodienst.com

[3] Lupus Protospartar. 1046, MGH SS V, 59: imperator venit Beneventum. Beneventani vero ad eius iniuriam absciderunt strennas equi eius.

[4] Gesta Chuonradi, c. 6.

[5] Breuers, D.,  Ritter, Mönch und Bauersleut. Eine unterhaltsame Geschichte des Mittelalters. (Bergisch Gladbach, 1994). 109 ff.

 

Het Martinikerkhof te Groningen was al in de elfde eeuw het bestuurlijk centrum van de bisschop van Utrecht. (Foto: Gouwenaar, Wikimedia Commons)

In 1039 stierf keizer Koenraad II te Utrecht en zijn hart en ingewanden werden in het koor van de St. Maartenskerk te Utrecht begraven. In 1040 bezocht Hendrik III Utrecht opnieuw en uit dank voor het bewaren van het hart van zijn overleden vader schonk hij  de bisschoppelijke kerk van Utrecht de volgende landerijen en privileges:

D HIII 43 (21 mei 1040 te Utrecht):[1] H. schenkt de bisschoppelijke kerk te Utrecht bezittingen te Leermens, Eenum en tussen Eems en Lauwers, in de graafschap van Rodulfus, die Uffo en zijn broers na goddeloze lichtzinnigheid door rechterlijke uitspraak verloren hebben.

D HIII 44 (21 mei 1040 te Utrecht): H. schenkt de bisschoppelijke kerk te Utrecht bezittingen te Uffelte, Wittelte en Peelo, die Uffo en zijn broers na goddeloze lichtzinnigheid door rechterlijk oordeel verloren hebben.

D. HIII 45(21 mei 1040 te Utrecht): H. schenkt de bisschoppelijke kerk te Utrecht een bezitting in Cruoninga (Groningen) met grafelijke rechten en andere rechten.

Deze giften waren niet bedoeld voor de bisschop, deze mocht er zelfs niet aankomen[2]. De reden van de schenking was het begraven in de St. Maartenskerk van de ingewanden van Koenraad II.  Politieke overwegingen speelden daarbij nog geen rol. De stoffelijke resten waren als onderpand, als “gijzelaar” in het bezit van de kerk[3] die nu, gepersonifieerd door de Heilige Martinus, iets van de koning kon verlangen wat hij niet zou weigeren.

Het ambt van de prefect, gelegen in de Villa Cruoninga, die tot de schenking behoorde, moet op dat moment vacant zijn geweest. Hier kreeg de Utrechtse bisschoppelijke kerk  gravenrechten, zij het met een beperking “comitatu strictione”. De oorkonde was bovendien, en dit is zeer ongewoon, voorzien van een gouden bul. Het is opvallend dat Hendrik III ook nu weer een symbool van Byzantijnse keizerlijke macht koos als het om familieaangelegenheden zoals het sterven van zijn vader ging. Ik kom hier nog op terug. Helaas zijn noch de bul, noch het originele handschrift van de oorkonde bewaard gebleven.

In oorkonde D.HIII 45 werd tevens bepaald dat de villa Cruoninga jaarlijks 30 karrenvrachten wijn aan de bisschop van Utrecht moest leveren. Het klimaat was in het midden van de 11e eeuw opvallend zacht. In Italië was de zomerhitte letterlijk moordend, IJsland en Groenland waren goed bewoonbaar en de wijngrens moet tijdelijk naar het noorden opgeschoven zijn. Aartsbisschop Adalbert van Hamburg-Bremen hield zich dan ook bezig met druiventeelt aan de Wezer. Toch viel er ook zeer veel regen, in de vorm van ongewoon zware buien. Hendrik III zag menige expeditie in het water vallen.

Heeft Hendrik III de villa Cruoninga en de prefectenhof ooit met eigen ogen gezien? Het gebied was ver gelegen van de koninklijke centra, de dichtstbijzijnde grote palts bevond zich in Zutphen. Een reizende koning was echter voor geen kleintje vervaard en waar vaste onderkomens ontbraken, sloeg hij een tentenkamp op. Van keizer Hendrik II wordt in een legende[4] beweerd dat hij een bezoek heeft gebracht aan Wolfsbarge aan het Zuidlaardermeer[5]. Hij zal niet de enige keizer geweest zijn die zich naar het hoge noorden begaf.  Oorkonde D.HIII 45 van 21 mei 1040 te Utrecht wekt de indruk dat Hendrik III de villa Cruoninga persoonlijk bezocht heeft om te onderzoeken hoe dit bezit eruit zag. Op dezelfde wijze bracht keizerin Gisela in 1039 een bezoek aan Lesum  (ten noorden van Bremen) en inspecteerde Hendrik III zelf de landgoederen in de mark Meißen die hij in 1046 erfde. Wanneer men het zeer letterlijk vertaalt staat er in de tekst:  “het volgende landgoed, (waar) wij zijn geweest om te willen zien/onderzoeken wat voor een (te) bezitten (of: die wij gezien hebben te bezitten) in de villa genaamd Cruoninga”. [6]

Het “itinerarium”, het reisdagboek  van Hendrik III biedt openingen voor een mogelijk bezoek aan dit grensgebied van het rijk. In 1036 verbleef hij van 6 juni tot 10 augustus in Nijmegen. Zijn echtgenote Gunhild was ziek. In 1039 was Koenraad II ziek en Hendrik vertoefde met zijn ouders noodgedwongen opnieuw lange tijd in Nijmegen, van 28 februari tot 26 mei. Hij zal zijn tijd niet slechts afwachtend doorgebracht hebben. Het is denkbaar, hoewel nergens overgeleverd, dat hij van de gelegenheid gebruik gemaakt heeft om de koningsgoederen in het noorden met een inspectiebezoek te vereren en de rechtsverhoudingen aldaar in kaart te brengen, misschien ook in aansluiting op de bovengenoemde reis die keizerin Gisela kort daarvoor nog aan het noorden van Saksen gemaakt had. Zij bezocht op 11 december 1038 het nieuw verworven goed Lesum bij Bremen, uit de nalatenschap van de rijke, op 3 december overleden Emma van Immedingen, dat waarschijnlijk bedoeld was als haar woonplaats voor het geval zij weduwe zou worden[7]. Dit laatste was niet denkbeeldig gezien de slechte gezondheidstoestand waarin Koenraad II uit Italië teruggekeerd was.

Er was meer koningsgoed in de omgeving van Groningen. Ten zuiden van de villa Cruoninga bevond zich op de Hondsrug het Go en het  dorp Haren met zijn “Olde Hof”, de “Mikkelhorst” en  de “Hof te Hemmen”. Oostelijk daarvan lag het veengebied het Wold, met de plaats Wolfsbarge.

Tot de terpdorpen die “over land bevaren of over zee bewandeld moesten worden” (Plinius), behoorden Oldehove (antiqua curtis), Leens met zijn Petruskerk en Baflo met een kerk van de Ottoonse heilige Laurentius, (die ook door Hendrik III vereerd werd).

De kerkjes van Haren en Noordlaren hadden Nicolaas en Bartholomeus als patroon, twee oosterse heiligen, wat mogelijk op een Ottoonse oorsprong wijst. Onder keizerin Theophanu kwam de Nicolaasverering in zwang en haar echtgenoot keizer Otto II heeft in 983 de relieken van de apostel Bartholomeus van Benevento naar Rome gebracht. Een deel van de schedel werd naar Frankfurt overgebracht.

Over de precieze ouderdom van de bijna identieke kerkjes in Haren en Noordlaren tast men nog in het duister, maar het is opmerkelijk dat de patroons hiervan heiligen waren die beiden vereerd werden door het echtpaar keizer Otto II en keizerin Theophanu.


[1] D. HIII 43, 44, 45.

[2] D. HIII 45: Et ne aliqua imperialis vel regalis aut episcopalism persona vel aliquis publicus exactor huius donationis nostre auctoritatem presumat infringer”

[3] D HIII 43: “in cuius ecclesia quasi pro pignore paterna sepelivimus viscera…” D HIII 44: “in cuius ecclesia quasi pro pignore paterna sepelivimus viscera, ut beatus Martinus nobis quasi debitori nostra requirat servicia…” D. HIII 45: “Chuonradi imperatoris cuius ventris interiora in eadem sepelivimus ecclesia..”

[4] In 983 had Otto II Bartholomeus vereerd door diens gebeente van Benevento naar Rome over te brengen. Oekumenisches Lexikon. Heilige Heinrich was in de middeleeuwen een populaire sint in de Noordelijke Nederlanden. Zijn status als min of meer lokale heilige werd aangestuurd door de abdij van Aduard als belangrijk grootveeneigenaar. Turf was in die dagen wat aardolie vandaag de dag is. De mare ging dat de keizer ergens tussen het huidige Stadskanaal en Ter Apel (Groningen) door de hemel zou zijn toegesproken. Wanneer is niet bekend, wel dat in 1268 de bisschop van Utrecht persoonlijk een relikwie van de Heilige Heinrich kwam inmetselen in de nieuwe kapel te Wolfsbarge, liggende in het veengebied van de abdij te Aduard.

[5] “Encyclopedie van Hollandse Heiligen”, Mohammed El-Fers.

(website http://digiboek.50megs.com/nlsinten/sint_h.htm)

[6]tale predium, quale nos visi fuimus tenere in villa Cruoninga nuncuptata ».

[7] Wolfram, H., Konrad II.,358.

 

De enige echte balsamico azijn uit Modena. Modena ligt niet ver van Canossa.

Balsamico is een azijnsoort die, in tegenstelling tot andere azijnen, niet op basis van alcohol wordt gemaakt. Balsamico wordt van Trebbiano-druiven gemaakt, die groeien in Modena, Noord – Italië en vrij laat geplukt worden.

Balsamico die de naam aceto balsamico tradizionale verdient moet minstens 12 jaar oud zijn, maar sommigen zijn meer dan 100 jaar oud. Voor zeer oude Balsamico betaalt men soms honderden euro’s voor een half kopje. Balsamico is sowieso prijzig, omdat er maar 3000 liter per jaar op de markt verschijnt. Daar staat tegenover dat er slechts zeer weinig Balsamico nodig is om smaak te geven aan een gerecht. Ook kan men uistekende Balsamico kopen die jonger is dan 12 jaar, en daarmee veel goedkoper.

Ook Hendrik III lijkt een liefhebber van het goedje geweest te zijn.[1]

 Voor Hendrik was zijn Italië-reis van 1046/47 ook een welkome gelegenheid om inkopen te doen en toen hij langs de burcht te Canossa kwam bestelde hij bij markgraaf Bonifacius “vele nieuwe dingen”, bijvoorbeeld  azijn, “acetum”, die hij had horen prijzen. De markgraaf liet meteen met zilverbeslag een kostbare door runderen getrokken wagen maken die hij de koning ten geschenke deed met de azijn. Hij bracht de koning nog een geschenk bestaande uit honderd paarden, glanzend gekleurd, allemaal gezadeld en getoomd, daarbij tweehonderd valken. De koningin vroeg verbaasd wie de man was die zulke geschenken deed: “Zij zei tegen de koning, quasi verwonderd, ‘Welke man heeft dienaren zoals Bonifacius? In het hele rijk heb ik zoiets nog nooit gezien”. 


[1] Donizonis Vita Mathildis, p. 371. ‘Magnifici vultus rex Italiamque secundus/Venit Heinricus, sapiens, iocundus, opimus;Mandavitque sua Bonefacio nova plura,/Et quoniam secum laudatum vellet acetum,/Arx quod gestabat, quae fit Canossa vocata. Imperat argenti vegetem subito fabricari,/ Binos atque boves dux cerpentumque iugumve/Cum bobus vivis haec regi machio misit./ Carum rex donum tenuit magnumque decorum./….Quis vir esse sonat, qui Vobis talia donat?/ Clamat regina…

‘Edele Wraak’

 Hendrik III  Reageren uitgeschakeld
dec 052010
 

De Leeuw en het Lam

In de literatuur uit de tijd van  Hendrik III werd voor het eerst de idee van vrede als een versmelting van wereldlijk recht en christelijke genade onder woorden gebracht. Dit was een nieuwe ontwikkeling. “Het is een goede verhouding, zoals Lex (wet) en Gratia (genade)zich verenigen. Als zij verbonden zijn, zullen ze liefde tot de vrede voortbrengen.[1] Pax (Vrede), werd gezien hij als het einddoel van de hemelse en aardse wereld.[2]

Tijdens het werven om de hand van Agnes van Poitou, bij de verloving en rond de huwelijksvoltrekking in 1042 en 1043 hield Hendrik III telkens grote preken voor het volk waarin hij iedereen opriep elkaars schuld te vergeven, wat hij zelf ook deed.[3]

Bij zijn keizerkroning in 1046 schonk hij op de drempel van de St. Pieterskerk opnieuw zijn vijanden vergiffenis, (met uitzondering van Godfried II van Lotharingen die voor de tweede keer een opstand was begonnen). Hendrik vergaf zijn vijanden op grote schaal bij zijn huwelijk, bij zijn keizerkroning en op zijn sterfbed.      

De ‘indulgenties’ zoals de amnestieën van Hendrik III werden genoemd, hadden echter nog een extra bijzonderheid. Hij schonk zijn vijanden niet alleen vergiffenis, hij beloonde hen ook. Door de zondaren niet te straffen maar hen daarentegen een voorkeursbehandeling te geven, hoopte hij ‘kwaad met goed te vergelden’. Dit motief was nieuw en een overtreffing van het Cluniacenzer vredesideaal.

Hendrik III probeerde  een einde te maken aan het recht op vete, de bloedwraak van generatie op generatie, een eindeloze spiraal van geweld. Hij ontsloeg de gekrenkten van hun plicht tot wraak en nam de aanvallers de wind uit de zeilen, of, om het in New Age termen te zeggen, hij doorbrak het Karma.

Zijn optreden wekte zoveel verbazing dat het op tal van plaatsen in de elfde-eeuwse literatuur en de legenden over Hendrik III terecht is gekomen, bijvoorbeeld in het elfde eeuwse Ruodlieb, een manuscript dat beschouwd wordt als de eerste ridderroman.

Onze koning heeft niet het bevel gegeven, hem die zich overgeeft of gevangen wordt te doden, maar, als we kunnen, de gevangenen te bevrijden samen met de buit. De overwinnaar te overwinnen – wie wenst grotere eer? Wees een leeuw in de strijd, bij de wraak echter als een lam! Het is geen eer voor jullie, pijnlijk verlies te wreken. Een verheven soort wraak is het, de toorn te beteugelen.[4]

Kwaad met goed vergelden is een edele wraak, want wie door zo’n daad bekend wordt, wordt nog meer geacht. Jouw grote macht en je onvergelijkbare streven zijn voor jou een wal die niemand  vernietigen kan. Dat de geslagene degene die hem sloeg vergiffenis schenkt! Schijn je ons niet terecht als God te handelen, dat je vrijwillig de zondaars zonder dat iemand daar om vroeg vergeeft?[5]

In ‘Ruodlieb’ is een nieuw werkwoord gecreëerd: “deizare”, handelen als God. De goedheid van God is spontaan en vindt plaats uit vrije wil. Zo moet ook de mens spontaan vergeving schenken.[6]

            De spontaniteit van deze goede daden is verrassend. Het onverwachte kan ook als humoristisch worden ervaren. Deze manier van doen heeft verscheidene verhalen over Hendrik III opgeleverd. Dat hoeft niet te betekenen dat alles precies zo gebeurd is, maar het feit dat deze koning zondaars vergeving schonk en hen zelfs beloonde was iets waar men over praatte, iets wat verhalen en legenden deed ontstaan. Een voorbeeld is te vinden in een kroniek uit Kamerijk[7] Het is een anekdote over Hendrik III en diens ‘wonderlijke zachtzinnigheid’ tijdens een (overigens niet zachtzinnige) veldtocht in Vlaanderen in het jaar 1054.[8]

‘…de graaf [Boudewijn V van Vlaanderen] stuurde een priester die Radulf heette naar het kamp van de keizer om het te verkennen en vergaderingen af te luisteren. Deze ging, lamheid fingerend, op hoge houten zolen kruipend, tussen de armen zitten, zich vijandig uitstrekkend naar de aalmoezen van de keizer: kijkend herkende Johannes [van Atrecht] hem alsof hij de man tevoren gekend had. Zo wilde hij iets goed maken. Bij zijn wandeling in tegenwoordigheid van de keizer en zijn edelen wend hij zich tot hem bij het uitstrooien en strekte gevend zijn hand uit en beval hem voor aller ogen recht te blijven staan en gezond hard te lopen. Er ging een gemompel van bewondering op alsof er een wonder gebeurd was… Nadat dit geopenbaard was, werd de aangeklaagde tot de dood door de strop veroordeeld. Bij zijn terechtstelling zou hij met tuchtroeden gefolterd worden. “Maar eerst”, zei de keizer, “gaan we eten; nadat hij gegeten heeft, zal hij vrolijker opgehangen worden.” Ze werden bij de koninklijke tafel gezet, maar wie zou zelfs maar weinig lusten als hij zich met de dood bedreigd ziet. Eindelijk riep de keizer hem bij zijn tafel, veel over de graaf vragend bood hij hem de zilveren lepel aan die hij vasthield, beval hem met nieuwe kleren bekleed op een paard te zetten, “zodat wij hem”, zei hij, “die voorovergebogen op houten zolen kwam, hoog verheven te paard van ons zien teruggaan”. Dansend van vreugde, omdat hij aan de dood ontsnapt was, ging hij weg en droeg grote lof over de grootmoedigheid van de keizer zelfs bij de vijanden uit, zoals hij ons lange tijd later, oud en gebogen, gewoon was te vertellen.’


[1] Wipo,Tetralogus, 237-238. Est bona temperies, quam Lex et gratia miscent; haec si coniunctae, genetabunt pacis amorem.

[2] Ladner, G., 74, 76. Schnith, K. 22-57.

[3] Zie hoofdstuk VI, “Agnes van Poitou”.

[4] Ruodlieb, IV, 1-30.

[5] Ibidem, 78-119

[6] Götte, Chr., 76.

[7] Chronicon S. Andreae Castri Cemeracensis, MGH SS 7.

[8] Chronicon S. Andreae,Lib II. Cap. 19. MG.SS. VII, p. 534. “De quodam clerico a comite misso. Multa et praeclara in hac expeditione imperatoris gesta describi digna forent; sed quia id non est debiti nostri nec propositi, saltem ad ostendendam eius miram clementiam pauca de multis perstringendo memoramus. Nam cum clericum quemdam Radulfum ad imperatoris castra explorandi gratia et auscultandi consilia comes ut … misisset, illeque se contractum fingendo scabellis repens ad imperatoris elemosinam in tentorio inter pauperes consedisset: intuitus Iohannes agnovit eum sicuti virum sibi antea notum. Siluit tamen, sed post aliquam deambulationem coram imperatore et optimatibus eius ad iacentem accessit, dansque ei manum erexit, et in conspectu omniumiubet adsistere rectum et currere sanum. Stupor apprehendit intuentes; fit murmur admirantium quasi facto miraculo, et ultra quam credi potest admirans imperator, quid lateat percunctatur. Postquam manifestata res est, suspendii reus et mortis iudicatur. Virgas allatas ad se suspendendum ipse sibi torquere iubetur. Sed prius, ait imperator, comedamus ; postquam comederit,laetior suspendetur. Apponuntur cibi regii, sed quis vel parum gustaret, qui sibi vicinam mortem imminere videret ? Tandem vocato eo ante mensam suam, imperator multa super comite rogitans, chochlear argenteum quod tenebat ei porrigit, novisque vestibus eum indui et equo precepti imponi, ut qui nos, inquit, speculari venit pronus in scabellis, sublimus in equo redeat a nobis. Ita regressus quanto gaudio ut ereptus a morte tripudiaverit, quanta laude magnificentiam imperatoris etiam apud hostes extulerit, ipse longo post tempore iam senio curvus nobis narrare solebat. »

dec 012010
 

San Appolinaris in Classe bij Ravenna

Petrus Damiani werd in 1007 in Ravenna geboren in een groot gezin. Zijn ouders verloor hij op jonge leeftijd, maar zijn broer Damianus zorgde ervoor dat hij kon gaan studeren in Faenza en Parma. Door zijn contacten met enkele kluizenaars werd hij monnik te Fonte Avelana, bij Gubbio in Umbrië. In het jaar 1043 werd hij prior in dat klooster. Ze leefden volgens zeer de zeer strenge regels van Romuald, de geestelijk leidsman van keizer Otto III. Petrus schreef een biografie van Romuald, wiens denken en vroomheid voor hem tot een programma werd. Voor het eerst werd in de aangesloten kloosters nu de geseling gepraktiseerd, als navolging van Christus. Petrus onderhield een briefwisseling met Hendrik III en paus Leo IX waarin hij zich scherp uitsprak over de dwalingen van de kerk, zoals de Simonie en het zich niet houden aan het celibaat. Petrus leefde in twee werelden. Hij deed evenveel voor het geloof als voor de politiek, kluizenaars lagen hem evenzeer aan het hart als keizers en koningen. Hij was een van de productiefste schrijvers van de middeleeuwen met een zeer verzorgde Latijnse stijl en hij liet een zeer omvangrijk werk aan theologische geschriften zoals brieven, preken, gedichten etc.[1] Hendrik III wilde hem dan ook graag tot zijn adviseur maken.

Door zijn vriendschap met Petrus Damiani zette Hendrik III de lijn van Otto III voort. Deze was begonnen bij Romuald van Camaldoli. Deze was geboren als zoon van een adellijke familie. Toen hij mee aanzag hoe zijn vader in een duel zijn tegenstander doodde, ging Romuald in zijn plaats veertig dagen in het klooster S. Apollinare in Classe bij Ravenna. Het beviel hem daar zo goed dat hij monnik werd en drie jaar bleef. Toen hij echter de laksheid van het klooster bekritiseerde  en zicht voor een strenger leven inzette, wekte hij tegenstand op bij de andere monniken. Hij kon nog net aan een moordaanslag ontkomen en ging  naar een kluizenaar in de buurt van Venetië. Samen met de afgezette Doge van Venetië Petrus Orseolo ging Romuald in 978 naar Cuxá in de Pyreneeën en stichtte daar een hermitage. Ongeveer 13 jaar later vestigde hij zich weer in de buurt van Ravenna. Op aandringen van keizer Otto III werd hij met tegenzin abt van het klooster, waar hij begonnen was als monnik. Na een jaar gaf hij dit ambt weer op. Hij ondernam een missiereis naar Oost-Europa waar hij als martelaar wilde sterven, maar moest de reis wegens ziekte onderbreken. Vanaf 999 stichtte hij veel kloosters in Italië en in 1012 stichtte hij de hermitage in Camaldoli bij Arezzo, waaruit de latere Camalduenserorde ontstond. Deze kenmerkte zich door een zeer streng leven van de monniken  in gescheiden cellen, met zwijgen en vasten. Ook zijn vader trad tot deze orde toe en stierf in de reputatie van heiligheid.[2] Romuald werd in 1032 heilig verklaard.

Toen Hendrik III met kerstmis 1046 tot keizer gekroond werd, was Petrus Damiani hierbij aanwezig. Ook was hij op het Lateraanse concilie in januari 1047 waar het ging over de strijd tegen het priesterhuwelijk en de handel in kerkelijke ambten. Terwijl Hendrik III verder reisde naar Zuid-Italië, ging zijn zwangere echtgenote, waarschijnlijk vergezeld door Damiani naar Ravenna om de geboorte af te wachten. Voordat hij Italië verliet had Hendrik III nog een ontmoeting met Petrus Damiani in het klooster St. Apolinaris in Classe.[3] Keizerin Agnes was hier intussen bevallen van een dochter. Op 7 april was Hendrik III ook in Ravenna aangekomen. Op 19 april vierde hij hier het paasfeest, waarbij ook zijn pasgeboren dochter gedoopt werd.

In zijn latere brieven prees de heremiet de keizer uitbundig omdat hij de veelkoppige draak van de Simonie’ (de handel in kerkelijke ambten)  bestreed. Hij loofde Hendrik omdat hij bisschop Widger van Ravenna verdreven had en adviseerde hem deze in geen geval te laten terugkeren[4] en hij herinnerde hem aan de in Classe gemaakte afspraak om een zekere Gisler vrij te laten,met wie hij bevriend was[5]. 


[1] Biographisch-Bibliographisches Kirchenlexikon. Catholic Encyclopedia.

[2] Ökumenisches Heiligenlexikon. Catholic Encyclopedia.

[3] Bulst-Thiele,M.L., 14.

[4] Brief 20, na Pinksteren 1047.

[5] Brief 43, 1055-1056. “Et cum omnia regna terrarum, quae vestro subicuntur imperio, testimundo largissima vestrae pietatis abundantia repleat, quomodo soli gislereius tante erit expers misericordiae, ut neque per servos Dei locum apud vos indulgentie valeat invenire?”

De Dom van Goslar

 Hendrik III  Reageren uitgeschakeld
nov 072010
 

Model van de Dom te Goslar (Museum Kaiserpfalz,2009)

Elke zich respecterende Rooms-koning of keizer heeft een religieus centrum gesticht. Hendrik I deed dat in Quedlinburg, Otto I in Magdeburg, Hendrik II in Bamberg, Koenraad II in Limburg a.d. Haardt en Speyer en Hendrik IV op de Harzburg, totdat woedende Saksen dit bolwerk vernietigden.

 Tegenover de palts van Goslar bouwde Hendrik III de kerk en het stift ter ere van Maria en de apostelen Simon Zealotus en Judas Thaddeüs. Hoewel het eigenlijk geen bisschopszetel was (het viel onder het bisdom Hildesheim) werd het imposante bouwwerk in de volksmond ‘Goslarer Dom’ genoemd.

Al vanaf 1043 was hij bezig materiaal te verzamelen voor een toekomstige kerk. Hij wist niet precies wat hij moest nemen, maar bisschop Cadeloh en markgraaf Ekkehard gaven hem raad.  Op 8 augustus 1043 kocht hij kleinodiën van de abt Adelrad van Mansfelt (Eisleben), die hij betaalde met landbezit te Faulensee. De regesten van de markgraven van Brandenburg melden dat: ‘Keizer Heinrich, de derde van deze naam, anno 1043 uit het klooster een mooi gouden kruis versierd met edelstenen en een wonderbaarlijk kunstig kruikje [ waarschijnlijk een miskelk] dat ook wel wat waard geweest is, van de abt Adelrad tot zich genomen heeft op raad en aangeven van Cadeloh, de bisschop van Zeitz en Naumburg en markgraaf Ekkehard te Landsberg en het klooster daarvoor ettelijke landerijen en akkers in het dorp Faulensee, met medeweten en onderhandelen van aartsbisschop Hunfried van Magdeburg . Welke uitwisseling en schenking op de keizerlijke burcht Kyffhausen is voltrokken en bekrachtigd met het zegel van de keizer op de 8e dag van augustus’.[1]

De wijding van (althans een deel van) het kerkgebouw vond plaats op de dag van de martelaren Processus en Martinianus, 2 juli 1047, door aartsbisschop Hermann II van Keulen. Hendrik III en zijn echtgenote Agnes waren toen zojuist teruggekeerd van een geslaagde Rome-reis. Het klooster kwam pas later gereed, vermoedelijk in 1051. In dit gebouwencomplex ontvouwde zijn religieuze programma zich op aanschouwelijke wijze.  Er werden heiligen vereerd uit het hele Frankische rijk, oost en west. De verschillende patroons aan wie de altaren en kapellen in de kerk waren gewijd, zijn genoemd in de kroniek van het Stift:

 ‘Het hoogaltaar was gewijd  aan Maria de moeder Gods, de apostelen Simon, Judas en Mattheus, de martelaren Rusticus en Venantius, de belijders  Valerius, Servatius, Eucharius en Maternus. De patroons van het altaar in het midden van het koor waren de aartsengel Michaël en Hilarius; in de “afsiden” in het noorden Johannes de Doper en Johannes de Evangelist. In het zuiden Petrus; in het midden van de kerk het Heilige Kruis en Stephanus; in de crypte Maria de moeder Gods en Dyonisius. Boven aan de absiden bij de toren is een altaar gewijd aan onze lieve vrouwe. In de zelfde rij een kapel ter ere van St. Nicolaas. In het noorden een kapel van Maria Magdalena. In het kapittelhuis is een kapel van St. Blasius’. 

Het gelukkige huwelijk van Hendrik en Agnes, die nadrukkelijk samen de kerk wilden dienen, is in dit ontwerp weerspiegeld. Franse (of, zo men wil, west-frankische) en Duitse heiligen gaan hand in hand. Simon en Judas waren Hendriks heiligen. Rusticus, bisschop van Narbonne en Marseille, en  Venantius Fortunatus, bisschop van Poitiers, kwamen uit het vaderland van Agnes. De aartsengel Michaël was patroon van het Duitse rijk. Hilarius was bisschop van Poitiers. Het heilige Kruis werd speciaal vereerd door Hendriks vader Koenraad II. Stephanus stond misschien garant voor het koningschap in Bourgondië, omdat Hendrik in 1038 in de St. Stefanskerk te Solothurn tot koning gekroond was. Ook Besancon, waar de verloving had plaatsgevonden, bezat een Stefanskerk, die door Hendrik op 29 december 1041 in bescherming genomen werd.[2] Op 25 januari 1042, nog steeds op Bourgondische bodem,  nam hij ook nog het klooster S. Stefano te Ivrea in bescherming, waar zich het graf van de proto-martelaar zou hebben bevonden.[3]

In de crypte van St. Simon en Judas zien we wederom Maria, beschermheilige van het Duitse koningschap en in het bijzonder de Salische dynastie, vergezeld van Dyonisius ofwel St. Denis, eerste bisschop van Parijs en patroon van Frankrijk. Aan de zuidzijde zien we een man: Petrus, opvolger van Christus; aan de noordzijde een vrouw: Maria Magdalena die het Paaswonder verkondigde. In het noorden zijn er dan ook nog Johannes de Doper, die bijzonder vereerd werd door de familie van Agnes en Johannes de Evangelist. Mattheus (althans zijn relieken), Valerius, Eucharius en Maternus zijn afkomstig uit Trier. Agnes had een bijzondere relatie tot dit oudste Duitse bisdom. Zij bezat er het klooster St. Maximin als privé-eigendom en de aartsbisschop van Trier was verplicht haar hofdiensten te verlenen. Servatius werd vereerd door Hendrik en dat geldt ook voor Nicolaas, de heilige die geïntroduceerd werd door zijn vermoedelijke overgrootmoeder keizerin Theophanu. In Nijmegen liet hij de Nicolaaskapel bouwen.

Dan was er nog Blasius, de patroon van het kapittelhuis, een merkwaardige heilige. Deze 3e eeuwse Armeense bisschop leefde in een hol om te ontsnappen aan de christenvervolgingen. Hij was arts van beroep en hij genas de wilde dieren die toevlucht bij hem zochten. Toen hij later in gevangenschap verkeerde, redde hij een jongen van de verstikkingsdood die zich verslikt had in een visgraat. Hij is een van de 14 noodhelpers en helpt tegen verstikkingsgevaar en keelaandoeningen. De vaak zieke Hendrik III heeft hem wellicht om die reden tot patroon gekozen. Blasius was de huisheilige van de Brunonen; via Bruno van Braunschweig, de eerste man van keizerin Gisela en diens zoons zal Hendrik met deze cultus bekend geworden zijn. De meeste heiligen waren niet om privé-redenen uitgezocht. Het waren belangrijke helpers van  het rijk, zij hadden een politieke betekenis.

Van deze en andere heiligen wist Hendrik III een verbijsterende hoeveelheid reliquiën bijeen te brengen.

Het stift heeft tot 1802/03 bestaan als rijksonmiddellijk instituut. De dom werd in 1819-1822 afgebroken werd wegens bouwvalligheid. Op de plaats waar het complex stond is nu een parkeerplaats. Alleen de voorhal van dom is bewaard gebleven. Delen van het interieur waaronder het gouden ‘Krodo’-altaar en gebrandschilderde ramen gingen naar musea. In 2001 maakten Friedrich Balck van de Technische Univeristät Clausthal en zijn zoon Henning Balck van de Technische Universität Braunschweig een uiterst gedetailleerde virtuele reconstructie van de ‘Goslarer Dom’, die te zien is in het museum van de Kaiserpfalz.

De kerk van Simon en Judas te Goslar aan het begin van de 19e eeuw.


[1] D. HIII 88.

[2] D. HIII 90.

[3] D.HIII 95.

Meer over Simon en Judas

 Hendrik III  Reageren uitgeschakeld
nov 062010
 

 

Hendrik III verschijnt voor zijn patroons Simon en Judas en schenkt hen een kostbaar handschrift.

Simon en Judas waren als missionaris actief geweest in Syrië, Mesopotamië en Perzië. Zij voorspelden aan Baraduch, de veldheer van de koning, overwinning en vrede. Toen deze profetie de volgende dag uitkwam, werden zij als goden in mensengedaante vereerd en bij koning Xerxes gebracht. Zij doopten hem, zijn hele hofhouding en duizenden in het land. Men verzocht hen vaak om vijanden te vernietigen, maar zij antwoordden steeds met: “Niet om te doden maar om levend te maken zijn wij gekomen”.  Met tal van wonderdaden bewezen zij de onmacht van  tovenaars en afgoden. De heidense priesters kwamen in opstand. Beide apostelen werden door hen gedood, Judas met een knots en Simon met een zaag. Op plaatjes worden zij gewoonlijk met hun moordwapens afgebeeld. Ook met de priesters en tovenaars liep het minder  goed af. Zij werden door de bliksem getroffen.  De koning liet de lijken van de twee heiligen zoeken en bouwde een grote kerk boven hun graven.

Dat Hendrik III op 28 oktober 1046 in Pavia zijn verjaardag in vol ornaat vierde (zie de vorige post) was natuurlijk niet helemaal toevallig. Hendrik was op weg naar Rome, waar hij drie pausen zou afzetten en waar hij bij verschillende synodes aanwezig was. Er stonden kerkhervormingen op Hendriks programma en daarbij had hij de hulp van zijn patroons nodig.

Hendrik kon zich gesteund voelen door de Brief van Judas, geschreven aan de kerken van het Oosten, in het bijzonder aan de bekeerde joden, waarin de briefschrijver zich opwond over de ketterijen van de Simonisten  (aanhangers van een zekere Simon de Magiër), de Nicolaïsten (gehuwde priesters) en de Gnosis (een afsplitsing van het vroege christendom die zegt dat alleen innerlijk weten tot verlichting zal leiden). Dit waren ook de onderwerpen van de synodes die de komende maanden zouden plaatsvinden. ‘Simonie’ (het verkopen van kerkelijke ambten voor geld) en ‘Nicolaïsme’ (het priesterhuwelijk) werden voortaan streng verboden.

Toen hij teruggekeerd was in het noorden van het rijk kon Hendrik met tevredenheid terugkijken op de geslaagde Italiëtocht. Hij had alles bereikt wat hij wilde. Uit dankbaarheid stichtte hij een kerk van Simon en Judas in Goslar, waarover meer in de volgende post.

 
Bij een 'Festkrönung' ontvangt de keizer, waarschijnlijk Hendrik III, een speciale kroon uit de handen van een bisschop. Zijn alledaagse kroon houdt hij in zijn hand. (klik voor vergroting)

 

Bij een 'Festkrönung' ontvangt de keizer, waarschijnlijk Hendrik III, een speciale kroon uit de handen van een bisschop. Zijn alledaagse kroon houdt hij in zijn hand. (klik voor vergroting)

28 oktober  1016 (volgens anderen 1017) was de geboortedag van Hendrik III. De  datum wordt vermeld in de Annalen van Augsburg, in het Latijn en volgens de Romeinse kalender: 5. Kalendas Novembris. In de middeleeuwse heiligenkalender was deze dag gewijd aan de apostelen Simon Zealotus (de ‘IJveraar’) en Judas Thaddeus, die volgens de traditie broers geweest zouden zijn van St. Jacobus de Jongere. Zij waren als apostel vooral actief in Syrië en Perzië. Deze Judas moet dus niet verward worden met Judas ‘Iskariot’, die de Meester verried voor 30 zilverlingen.

In de middeleeuwen werd St. Simon en Judas beschouwd als het begin van de winter. Volksgeloof: ‘Is Simon en Judas voorbij, dan is de winter kort nabij’  en: ‘Simon en Judas met zijn twee brengen meestal ook sneeuw mee’. Voor de Engelse schepen werd het dan tijd om de Noordzee te verlaten en de Theems op te varen: ‘All the ships on the sea, home they crowd’.  In Venetië zei men dat ‘San Simon Squarzavele’ (‘Scheurzeil”) de winterstormen met zich meebracht. 

Dat Hendrik III zijn verjaardag ook werkelijk vierde werd duidelijk op 28 oktober 1046 te Pavia in Italië. Tijdens het feest verscheen hij ‘in fascibus et corona’. Behalve een kroon droeg Hendrik dus ook fasces als attribuut. Bij de Romeinen waren de fasces, een roedenbundel waarin een bijl gestoken was, het symbool van de rechtsmacht (geseling en terechtstelling) van de magistraat. Pavia was belangrijk geworden in de tijd van Theoderik de Grote (454-526). De Longobarden, die in 572 de macht overnamen, maakten haar tot hun hoofdstad. Theodelinde, de koningin van de Longobarden, die veel bijgedragen had tot de bekering van haar volk tot het rooms-katholicisme, ontving van paus Gregorius de Grote een bijzonder geschenk: een nagel waarmee Christus aan het kruis werd geslagen. Van deze nagel werd een ijzeren kroon gesmolten, die men voortaan gebruikte bij de kroning van de koningen. De kroning met de ijzeren kroon van Theodelinde vond plaats in de San Michele.    

De IJzeren Kroon van de Longobarden, waar in de binnenrand een nagel van het kruis van Christus verwerkt zou zijn.

Het feit dat Hendrik zijn verjaardag vierde is opmerkelijk. In de middeleeuwen gedacht men sterfdagen. Geboortedagen werden maar zelden geregistreerd, laat staan gevierd. Bij de Romeinen echter vierde men zijn verjaardag als het feest van zijn beschermheilige. Men deed zich of liever zijn genius  (god of geest) te goed met wijn: genio indulgere, genium curare vino. 

28 oktober 1056, tien jaar na de viering in Pavia,  was allesbehalve een feestdag voor de nabestaanden van Hendrik III. Zijn gebalsemde lichaam werd bijgezet in een eenvoudige sarcofaag van gele zandsteen in de dom van Speyer. Hij was op 5 oktober gestorven na een jachtpartij in de Harz. Op zijn sterfbed sprak hij de wens uit om ‘op de dag waarop hij uit de schoot van zijn aardse moeder was gekomen, weer te worden toevertrouwd aan de schoot der aarde, de moeder van alle stervelingen’.

‘Keizer, je was zo groot als de wereld. En nu lig je eenzaam in een klein graf’, schreef een anonieme dichter.

Het graf van Hendrik III in de crypte van de dom te Speyer

© 2010 Ria van Loenen Suffusion theme by Sayontan Sinha