Eenvoudig en praktisch

 Hendrik IV  Reageren uitgeschakeld
mrt 192011
 

Hendrik IV had een andere smaak dan zijn vader Hendrik III, die graag de overvloedige Byzantijnse cultuur imiteerde. Zijn voorkeur lijkt meer uitgegaan te zijn naar strakke, sobere classicistische vormen. Niet toevallig onderscheidden ook zijn notarissen, briefschrijvers en biografen zich door hun uitstekend klassiek Latijn, rechtstreeks ontleend aan Vergilius en Livius. 

De in zijn opdracht herbouwde kerk van Speyer en het klooster Limburg vielen op door een eenvoudige, krachtige bouw die men de “Salische” stijl is gaan noemen. 

In een fragment van een gedicht, dat in de laat elfde-eeuwse vita van St. Servatius bewaard geciteerd werd, wordt Hendrik IV een liefhebber van pure eenvoud, een “purae simplicitatis amator” genoemd. Bovendien, zo wordt ons verteld, deed hij een concessie of week hij voor een overmacht (concessit) en stelde hij (in plaats van zichzelf) datgene centraal wat het algemeen belang diende[1].Hij gaf ook niet in het wilde weg aalmoezen aan de armen, maar probeer de armoede planmatig te bestrijden. Hij wilde precies op de hoogte gehouden worden van het aantal behoeftigen en wat zij nodig hadden. 

Tegenover het dogmatisme van de Gregorianen stond een pragmatische houding van Hendrik IV. Hij paste zich aan bij de situatie, gaf mensen datgene wat ze nodig hadden en stelde zich overal voor open. Hij was “gewend iedere persoon, iedere leeftijd, iedere zaak het bij hem passende te verstrekken en kon het bijna niet verdragen iets niet te weten”.[2] 

Hendrik IV schiep veel nuttige dingen in de wereld, vond de dichter van de “Goslarer Chronik. [3]

Heinrich der vierdt, des dritten son,

funffjarig alt erlangt die kron,

doch ward aus im ein solcher heldt,

der viel nutz schaffedt in der welt. 

In de annalen van Berthold en Bernold wordt minachtend vermeld dat Hendrik IV kerkelijke hoogtijdagen als Pasen en Kerstmis met maar weinig pracht en praal vierde, terwijl de tegenkoning Rudolf  van Rheinfelden dit op overvloedige wijze deed. 

Deze bijna Protestants aandoende soberheid strekte zich ook uit tot zijn persoonlijke geloofsleven. Terwijl Hendrik III een enorme verzameling relieken bijeenbracht en in alle kerken eer bewees aan de heiligen, vinden we bij Hendrik IV geen aanwijzingen voor een persoonlijke heiligencultus. Alleen de maagd Maria beschouwde hij levenslang als zijn “Vrouwe” die hij, bijna als een hoofse ridder, wilde dienen. Anders dan zijn vader heeft hij geen prachtige vergulde en met miniaturen versierde kerkboeken nagelaten. Hij bezat een tot op de draad versleten psalmenboek dat hij altijd bij zich had en dat door bisschop Otto van Bamberg uiteindelijk van een nieuwe band werd voorzien.


[1] Iocundi Translatio S. Servatii, MGH SS 12, p. 121, c. 74. “Concessit imperator/Purae simplicitatis amator/Ponens hoc semper in medium/Quod prestet omnibus remedium” (Voor een overmacht week de keizer, liefhebber van de pure eenvoud, altijd datgene in het midden plaatsend, wat voor allen garant staat als redmiddel).

[2] Ekkehardi Chron. Univ. MGH SS. VI, 238, 239.“Omni personae, omni aetati, omnique rei sibi congrua impendere solitus, et vix quicquam ignorare passus.”

[3] Die Goslarer Chronik des Hans Geismar, p. 55.

Een troubadour?

 Hendrik IV  Reageren uitgeschakeld
mrt 192011
 

Hendrik IV was een kleinzoon van hertog Willem de Grote van Aquitanië. De “eerste troubadour” hertog Willem IX was zijn volle neef en tijdgenoot. Diens kleindochter Eleonora geldt als een van de grondleggers van de hoofse cultuur, hoewel de wortels van deze cultuur nog veel verder teruggaan[2]. Geen historicus heeft in de Duitse keizer Hendrik IV ooit een Fransman of een Aquitaniër willen zien. Toch kan het veel verduidelijken wanneer we een blik over de grens werpen op zijn familie van moederszijde en hun morele overtuigingen.

                In 1043 nadat koning Hendrik III de hand gevraagd had van Agnes van Poitou, de dochter van hertog Willem de Grote en gravin Agnes van Anjou, kwam er van de kant van de hervormingsgezinde geestelijkheid felle kritiek. Er werd betoogd dat dit huwelijk en de daarmee gepaard gaande Franse invloed aan het hof tot ernstige zedenverwildering zou leiden. Agnes en Hendrik III werden zozeer onder druk gezet, dat zij hun huwelijk begonnen met een daad van openbare boete, wat onder meer inhield dat alle muzikanten en jongleurs zonder betaling van het hof verjaagd werden en dat het uitgespaarde geld aan de armen geschonken werd. Het huwelijk werd niet toevallig voltrokken op 22 november, de dag van St. Caecilia, de patrones van kuisheid en gewijde muziek.

                Nadat in november 1050 Hendrik IV geboren was, werd al snel duidelijk dat de troonopvolger een opvoeding zou krijgen die paste in de beste tradities van het hertogelijke Aquitaanse hof. Abt Hugo van Cluny werd benoemd tot peetvader. Hij stond aan het hoofd van het zeer invloedrijke “familieklooster”, dat door hertog Willem I van Aquitanië  was gesticht. In de op sommige punten Renaissanceachtige ideologie van Cluny stond de vrije wil van de mens, het “velle et posse” centraal[3]. De kleine Hendrik, zo zullen zijn ouders gedacht hebben, moest leren zijn eigen beslissingen te nemen. Autonoom gedrag kenmerkte ook de hertogen van Aquitanië. En het was een Franse monnik, Arnulph, waarschijnlijk de kapelaan van Agnes, die het keizerpaar kort na 1050 een handschrift met spreukwijsheden schonk, die naar alle waarschijnlijkheid bedoeld was als leidraad voor de opvoeding van de kroonprins, zoals hofkapelaan Wipo indertijd ook zijn Proverbia had opgedragen aan de jonge Hendrik III.

                Nadat Hendrik IV op 6-jarige leeftijd zijn vader had verloren, was zijn moeder degene die over zijn opvoeding besliste. Zij ondervond hierbij zoveel kritiek, dat de vorsten van het rijk het nodig vonden de bijna twaalfjarige jongen, die in 1062 in het begin van zijn puberteit was, uit de invloedssfeer van zijn moeder weg te halen. Hendrik IV werd ontvoerd, Agnes uit de ouderlijke macht ontzet. “De koning begon al tot een jongeling op te groeien, maar aan het hof bekommerden de leidinggevenden zich alleen om hun eigen zaken en niemand leerde de koning wat goed of rechtvaardig was”. [4]

Bijna twintig jaar na Agnes’ komst in het Duitse rijk waren haar gewoontes nog steeds niet geaccepteerd. Omdat zij een vrouw was en een Franse, zo werd er gezegd, leek zij op haar moeder gravin Agnes van Anjou, “die evenveel minnaars had als het aantal jaren van haar leeftijd”. Agnes senior leefde gescheiden van haar tweede echtgenoot Godfried Martel. Een briefschrijver meende bisschop Gunther van Bamberg voor de keizerin te moeten waarschuwen: “Niet alleen haar geslacht, maar ook haar natuurlijke aanleg, en niet alleen haar natuurlijke aanleg, maar ook haar vaderland! Want haar moeder in elk geval telt evenveel bruiloften als verjaardagen. Gezegd is genoeg, in elk geval tegen een wijze. Want is niet alleen haar leeftijd verdacht maar ook haar sekse?“[5]

Men verweet de keizerinweduwe ook dat zij zich te opzichtig kleedde. De hervormingsgezinde kapelaan Udalrich van Zell, zelf “de onmatigheid van het hof vermijdend”, vermaande haar in weinig vleiende bewoordingen dat zij haar geest moest sieren met heilige deugden in plaats van “de verwelkte bloem” van haar lichaam te “bepleisteren” met een weelde van kostbare gewaden.[6]

De maat was vol toen Agnes verliefd werd op een bisschop. Dit beweert althans Lampert van Hersfeld. “Terwijl zij haar zoon opvoedde bestuurde zij het rijk zelf en maakte vooral gebruik van de raad van Heinrich, bisschop van Augsburg. Daardoor was zij niet in staat aan de verdenking te ontsnappen van onkuise liefde, want het gerucht werd verbreid dat zij deze graad van intimiteit niet ontwikkeld konden hebben zonder zondige gemeenschap. Deze situatie stuitte op weerzin van de vorsten, namelijk toen zij zagen dat door haar persoonlijke liefde voor één man hun eigen autoriteit, die het meest gewichtig had moeten zijn in het rijk, bijna ineengeschrompeld was”. En dus hielden zij constant bijeenkomsten, hitsten de stemming in het volk op tegen de keizerin en besloten de jongen bij zijn moeder weg te halen en zelf de regering over te nemen.

Onder de voogdij van de reactionaire aartsbisschop Anno van Keulen zal Hendrik IV ongetwijfeld een strenge opvoeding gekregen hebben, maar zijn hart lag ergens anders. De andere voogd, aartsbisschop Adalbert van Hamburg-Bremen, de jarenlange huisvriend van Agnes en Hendrik III, die zeer gesteld was op de zoon van het door hem vereerde keizerpaar,  wist dat ook. Hij raadde hem aan: “het is dwaas om niet in alles de begeerten van de jeugd te bevredigen. Doe alles wat je hart bevalt, zorg er alleen voor, dat je in het ware geloof sterft”. Zo hadden de hertogen van Aquitanië het ook altijd gedaan. Hertog Willem de Grote had een flamboyant leven achter de rug, toen hij op 70-jarige leeftijd als monnik in een door hemzelf gesticht klooster stierf. En ook de hertogen Willem VIII en zijn zoon Willem IX  (1071-1126) lieten het beslist niet na de “begeerten van de jeugd te bevredigen”. Willem VIII was tot tweemaal toe gescheiden en over zijn derde huwelijk kreeg hij moeilijkheden met paus Gregorius VII. Willem IX werd in zijn vida (de anekdotes uit zijn leven) als volgt gekenschetst:

“Lo coms de Peiteus (de graaf van Poitiers) was een van de meest hoofse mensen ter wereld en een van de grootste vrouwenverleiders. Hij was een goede strijder en vrijgevig met complimenten. Hij wist goed te vinden [“trobar”, waarvan het woord troubadour is afgeleid]en te zingen, en hij trok door de gehele wereld om vrouwen te bekoren.”[7]

Dat er in de tweede helft van de 11e eeuw nog steeds anti-Franse ressentimenten  in Saksen leefden, vernemen wij van de dichter Sextus Amarcius, wanneer hij het huwelijk van de koning beschrijft:

“De Elbe van de oorlogen zal met hartstocht walgen van Athene. En zich schamen Franse hengsten in het rond te laten stappen, roodbruine en blauwe schimmels met de zweep werk te geven. [Saksen was vermaard om zijn paardenfokkerijen]. Daarna vatten de ruiters weer moed en geven zich over aan het spel. De worstelschool en schilden en dergelijke zetten ze opzij. Alle aanwezigen vallen ten prooi aan een vrolijk leven dat iedereen op de proef stelt van God te zijn, weerlegd door de vijanden. Niemand kan tegelijkertijd twee heren dienen. Door grote smaad bedreigd is de hofkliek. De hoogsten zullen daarna de rammelaar van een kind zien. Geenszins ziet het geslacht de kerk. Moge alwie de hal van de vorst straks bezoekt verwerpen de hoop van de wereld en de vrees. Gelukkige armoede die niet hoopt noch vreest! Want de greppels van de Styx houden de begerigen van de wereld vast. De vrouw van Lot werd een zoutpilaar, laten wij niet omkijken.[8]

“…de jongemannen wier vingers een gladde ring siert, die hun gekrulde haar over de jonge nek werpen en onder de enkels de bontgekleurde puntschoenen met geelachtige riempjes versieren, de hoge laarzen van het volk verachten, bij zichzelf zeggend: “Wat schaadt de schone schijn?”

“Maar jij [Hendrik IV], die je met de zorg voor het ware vaderland bezighoudt, verwerp de valse macht. Vlucht van de blinde bezigheden van de wereld… Een bekrompen monarch van de wereld wordt opgesloten in een graf[9]. IJverig en voortreffelijk ben je niet, behalve dan dat duizend ogen je zien en dat mensen zeggen : ‘Dit huwelijk (met Bertha van Turijn?) schrijdt naar het licht, dat zich kleedt in marterbont, beverhuid, elegant genaaid aan fijn linnen, grijze pelsmantel’. Zo verblindt het ontvangen van vreemdelingen velen, met kostbare kleding van rode stukken pels (gulae) en purper.”[10]

                Gravin Marie van Troyes, dochter van Hendriks achternicht Eleonora van Aquitanië, liet door Andreas Capellanus  een handboek met “regels” voor de hoofse liefde opschrijven.  Het zijn 31 punten, die voor een groot deel gaan over de gevoelens van geliefden – waar in ons geval, Hendrik IV, niets met zekerheid over te zeggen valt – en voor een kleiner deel over het uiterlijke gedrag dat voor iedereen zichtbaar is. Het is interessant die laatstgenoemde aanbevelingen voor correct hoofs gedrag te confronteren met de beschuldigingen tegen Hendrik IV en met zijn historisch gedocumenteerd gedrag.

Regel 1: “Marriage is no real excuse for not loving”. Dat Hendrik IV zijn wettige echtgenote bedroog was een steeds terugkerende beschuldiging.

Regel 6: “Boys do not love until they reach the age of maturity”. Hendrik IV werd meerderjarig verklaard met Pasen 1065 op de leeftijd van 14½ jaar.  Hij was tussen de 15 en 16 jaar toen hij voor het eerst vader werd van een natuurlijke zoon, die in 1081 in Italië met officieel ceremonieel meerderjarig werd verklaard.

Regel 8: “No one should be deprived of love without the very best of reasons”. Hendrik IV beschouwde zijn liefdesleven als een recht waar niet aan te tornen viel. Noch afzetting als koning door de vorsten, noch excommunicatie door de paus kon hem ervan afbrengen.

Regel 10:  “Love is always a stranger in the home of avarice”. De enige ondeugd waarvan Hendrik IV nooit is beschuldigd was hebzucht of gierigheid, dit in tegenstelling tot zijn vader, die soms als een meedogenloze vrek werd afgeschilderd. Vriend en vijand prezen zijn gulle vrijgevigheid, vooral aan de armen.

Regel 11: “It is not proper to love any woman whom one would be ashamed to seek to marry”.  Wanneer Hendrik IV nu maar gewoon zijn zijsprongen beperkt had gehouden tot dienstpersoneel en naamloze sloofjes, zou er nooit een haan naar gekraaid hebben. Het waren echter de edele vrouwen die hij het hof maakte, afkomstig uit de hoogste adel en daarmee veroorzaakte hij grote schandalen in ogen van de Saksen:

“…unkûsce er sich underwant.

Er rait hovescen in diu lant,

Er hônde die edelen frouwen,

Die sîne liez er rouben.’[11]

[Onkuis misdroeg hij zich.

Hij reed hoofs (höfisch, courtois) door het land,

Hij bracht de edele vrouwen te schande,

De zijne liet hij roven.]

Regel 14: “The easy attainment of love makes it of little value: difficulty of attainment makes it prized”.  Hendrik IV haalde soms gevaarlijke capriolen uit om zijn doel te bereiken. Ook liet hij vrouwen schaken, wat niet ongebruikelijk was aan het Aquitaanse hof[12]. Door deze inspanningen steeg de intrinsieke waarde van zijn liefdesleven. “Wanneer hij hoorde dat iemand een jonge en mooie dochter of echtgenote had,” zegt Bruno, “beval hij haar met geweld bij hem te brengen als hij haar niet kon verleiden. Soms begaf hij zich ook zelf met een of twee begeleiders ‘s nachts  daarheen waar hij zo eentje wist. Soms bereikte hij het doel van zijn walgelijke begeerte, soms ook scheelde het niet veel of hij werd door de ouders of de echtgenoot van zijn geliefde  (sic!) vermoord”. [13]

Regel 31: “Nothing forbids one woman being loved by two men or one man by two women”.  Toen Manegold van Lautenbach met aartbisschop Gebhard van Salzburg overlegde of het mogelijk was om Hendrik IV af te zetten omdat hij geen afstand wilde doen van zijn concubines, noemde hij de namen van twee  minnaressen: Juditta en Offigia. 

De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat de gedragingen die voor de Saksen reden waren om Hendrik IV als koning af te willen zetten, volkomen geaccepteerd en zelfs voorgeschreven waren aan het Aquitaanse hof. De “misdaden” van Hendrik IV zijn door troubadours steeds weer bezongen.

“1106 Do dede de keiser eine grote schande; he hadde einen ridder by sick, de was van Schartvelde, de hadde ein schone wiff, und dar hedde de keiser gerne by gewesen; do sende de keiser den ridder over velt verne, darnach do reit de keiser jagen na der borch Schartvelde unde benachte dar unde schaffe dar sinen willen an der erbarn fruen dangk. Do de ridder wedder kam, de fruwe klage dat mit herteschwere, wat de keiser gedan hadde. Dem ridder was dut leit unde gingk tho des keisers hve; de keiser dachte wol, dat he de bosheit wuste, de he an siner fruen bedreven hadde, unde bot me scholde ohne morden; de ridder wart gewarnet, unde de bosheit kam uth, sodat de churfursten einen anderen keiser koren.”[14]

Terwijl de “eerste” troubadour hertog Willem IX van Aquitanië furore maakte, was de liedjeskoorts ook aan het hof van zijn neef Hendrik IV doorgedrongen. In de nog steeds veronachtzaamde bron Sermones van Sextus Amarcius manifesteert de keizer zich hoogst persoonlijk als zanger.

In zijn ‘aanklacht tegen de luxe’ keert de dichter Sextus Amarcius, die zijn taalgebruik ontleend heeft aan klassieke auteurs, maar die niettemin actuele gebeurtenissen beschreef, zich tegen decadente uitspattingen aan het hof van Hendrik IV, (die hij  consequent aanduidt als “patricius[15] en “herus” of “heer”). Op een zeker moment geeft Amarcius een lange beschrijving van een eetfestijn aan het hof.[16] Na de maaltijd krijgt “de furie Erinis”, ofwel het libido, de “heer” in haar macht. Terwijl hij op het bed zit, wenst hij dat een wellustig meisje….”[17] De rest van de tekst was zo compromitterend dat ze door een censor werd verwijderd. Vervolgens is het tijd voor muziek.

 Een ‘iocator’ (speelman) zingt in dit verhaal een viertal liederen, waarvan er de laatste drie tevens voorkomen in de met Hendrik III geassocieerde Cambridge-liederen. Het zijn: Goliath, Suevulus, (“het Sneeuwkind”, folklore uit Zwaben), Pythagoras (de ontdekker van de harmonieleer) en Philomena, (“Nachtegaal”, een ritmisch lied van Franse origine).

Ook de “heer” zelf, die met zijn gezondheid sukkelt,  maakt muziek en bezingt de liefde. “Wee mij”, zo roept hij uit, “als ik niet door ziekte word opgejaagd, als gezwollen blaren en gekneusde ribben afwezig zijn, is mijn geest zo slecht nog niet. Jongen! Kom hier! Ken je een lierspeler, zeg, of een kundige citharist, of iemand die het plectrum harmonieert met de holle tamboerijn, een ervaren iemand, voor het geval dat het lied deze oren hier niet zal strelen, maar haast je, mijn geest fonkelt om over de liefde te zingen.”

Niemand lijkt het ooit opgemerkt te hebben, maar in de Sermones bevindt zich de tekst van een heus lied dat Hendrik IV zelf schreef en ten gehore bracht. In troubadourtermen zou men het kunnen typeren als een planh een klaaglied.

“Nu past het mij”, schreef Amarcius, “een lied te laten volgen, een deugdelijk gemaakt gezang van de Patricius [Hendrik IV] , die in die tijd, met vrolijk getokkel een lofdichter voor heel velen, zich herstelde:

“Onder hen die wegkwijnen in Speyer

                Waar de lucht ongezond is

                Vermagerde de schrale Beradon

                Met twintig ten grave gedragenen

                Het is treurig om te zeggen

                Is hij tenslotte halfdood vermengd.

                               En slaperig wist hij niet waar hij was,

                Tot eindelijk de maansikkel

als een gewijde lamp boven hem hing

Toen rondkijkend barste hij los: ‘waar ben ik?’

                               Zuchtend vanuit het hart antwoordde iemand:

                ‘Kijk naar beneden, hoe treurig wij hier liggen

                Verborgen in een urn, vermengd met de doden

                Neergeworpen ben ik hier gisteren

                En ik wanhoop.’

                               ‘Ik weet niet of je van plan bent

                Tot de aardbol terug te keren?’

                ‘Nee, omdat de wrede honger,

                Die zo woest de wereld beheerst,

                Niet aan mij voorbij zou gaan’

                               “Mij is het graf niet zo dierbaar

                Dat het mij al behaagt

                Het zieke leven te laten varen

                Zo bied ik nu mijn wang aan

                Als God zou willen

                Wat hij nu van mij wegneemt

                Menigmaal erger terug te brengen!

                               En onderwijl keerde terug

                Het vooruitgezonden morgenrood

                En de zon verdreef met rosse gloed

                Schitterende stralen voortbrengend

                De schaduwen van de nacht.

                               Deze Beradon roept: ‘Ik leef,

                En verdubbeld door de echo: ‘Ik leef,

                En niet bedreigd door de dood

                Zoals de overige verborgen manschappen,

                Weiger ik te liggen.’

                               Hierdoor stomverbaasd

                Kwamen voorbijgangers snel aanrennen

                En ziend dat hij nog ademde

                Redden zij de ongelukkige

                Uit het nabije graf”

 

 


[1] Althoff weet deze vraag alleen te verklaren met de invloed van aartsbisschop Adalbert van Hamburg-Bremen.

[2] Zie bijv. C.S. Jaeger, The Origins of Courtliness.

[3] Götte, Chr. 72.

[4] Annales Althahenses

[5] M.v.K Jbb I, 282. Giesebrecht III, 79,80,86,87.

[6] Ex Vita S. Udalrici prioris Cellensis, c. 5.

[7] Lurvink, P., Middeleeuwen: de opkomst van het hof als cultuurcentrum (1100-1400). www.musiversum.net  ©Peter Lurvink.

[8] Sermones IV, 252-266.

[9] Verwijzing naar het gedicht “Caesar, tantus eras”, over de dood van Hendrik III. “Keizer je was zo groot als de wereld, en nu lig je in een nauw graf”.

[10] Ibidem, IV, 169-200.

[11] Kaiserchronik, 16554-16560.

[12] Hertog Willem IX ontvoerde de echtgenote van zijn vice-graaf, Philippa, en maakte haar tot zijn concubine.

[13] Bruno, De bello Saxonico, C. 6.

[14] Geismar, H., 58.

[15] Hendrik IV, de derde keizer van die naam, was Patricius van Rome.”Henricus tercius Romane sceptiger arcis” wordt hij door Amarcius genoemd. Sermones III, 141.

[16] Sermones, I, 340-389.

[17] Tum sese in sponda vovet ut lasciva puella…” Sermones I, 390.

Achtergronden van de Saksenopstand

 Hendrik IV  Reageren uitgeschakeld
mrt 192011
 

Qua afkomst was Hendrik IV geen Saks, maar een Frank. In de Rijnsteden Worms, Mainz en Speyer was hij thuis en werd hij ook in moeilijke tijden door de bevolking gesteund en gastvrij onthaald. Zijn vader Hendrik III was een afstammeling van de Frankische hertog Otto van Worms geweest en de meeste van zijn voorouders leefden aan beide oevers van de Rijn. Zijn moeder Agnes stamde uit het oude Karolingische hertogdom Aquitanië. Zij bracht “verwerpelijke” Frankische zeden naar de Elbe[1].             

De elfde eeuwse dichter met het pseudoniem Sextus Amarcius wijst er in een interessante en tot op heden in de geschiedschrijving veronachtzaamde passage op dat ook in het strijdlustige Saksen (“de Elbe van de oorlogen”) bedenkingen tegen deze “Frankische” huwelijksverbintenis bestonden (én tegen de daaruit voortvloeiende vrede). De Saksische paardenfokkerij zou concurrentie ondervinden van een nieuw paardenras, de Franse schimmel, en in plaats van serieuze gevechten (die onontbeerlijk waren voor het behalen van krijgsroem en oorlogsbuit) zouden er voortaan alleen nog “spelen” (tournooien?) plaatsvinden. “De Elbe van de oorlogen zal met hartstocht walgen van Athene. En zich schamen Franse hengsten in het rond te laten stappen, Roodbruine en blauwe schimmels met de zweep werk te geven, Daarna vatten de ruiters weer moed en geven zich over aan het spel. De worstelschool en schilden en dergelijke zetten ze opzij. Alle aanwezigen vallen ten prooi aan een vrolijk leven dat iedereen op de proef stelt van God te zijn, weerlegd door de vijanden. Niemand kan tegelijkertijd twee heren dienen. Door grote smaad bedreigd is de hofkliek van de koning. De hooggeplaatsten zullen daarna de rammelaar van een kind zien. Geenszins ziet het geslacht de kerk. Moge ieder die de hal van de vorst straks bezoekt de hoop van de wereld en de vrees verwerpen. Gelukkige armoede die niet hoopt noch vreest! Want de greppels van de Styx houden de begerigen van de wereld vast De vrouw van Lot werd een zoutpilaar, laten wij niet omkijken.[2]

Ook de “verwijfde” mode die met de Fransen zijn intrede deed, was bij Amarcius een steen des aanstoots: “…de jongemannen wier vingers een gladde ring siert, die hun gekrulde haar over de jonge nek werpen en onder de enkels de bontgekleurde puntschoenen met geelachtige riempjes versieren, de hoge laarzen van het volk verachten, bij zichzelf zeggend: “Wat schaadt de schone schijn?”

Hendrik III zelf krijgt ook een veeg uit de pan. De anders zo vrome en deugdzame koning is hier een “bekrompen monarch van de wereld” en niet  “ijverig of voortreffelijk”.“Maar jij, die je met de zorg voor het ware vaderland bezighoudt, verwerp de valse macht. Vlucht van de blinde bezigheden van de wereld… Een bekrompen monarch van de wereld wordt opgesloten in een graf. IJverig en voortreffelijk ben je niet, behalve dan dat duizend ogen je zien en dat mensen zeggen :‘Dit huwelijk schrijdt naar het licht, dat zich kleedt in marterbont, beverhuid, elegant genaaid aan fijn linnen, grijze pelsmantel’. Zo verblindt het ontvangen van vreemdelingen velen, met kostbare kleding van gulae en purper.”[3]

De betekenis van de raadselachtige gulae bleef tot dusver onopgehelderd. Gulae is volgens sommigen afgeleid van het franse woord gueules, keelholtes, en het zou daarbij gaan om rode stukken pels. Deze modieuze pelsstukken worden in verschillende geschriften genoemd. Ze vormen een aanwijzing voor de invloed van de Franse mode aan het hof rond 1044, de benoeming van bisschop Azelin van Hildesheim. Deze waarschijnlijk door Agnes geïntroduceerde bisschop stak met zijn  “verwijfde kleding” en gulae vreemd af bij de eenvoudig geklede leerlingen van de Hildesheimer kathedraalschool: “Zelfs verwijfde kleding was hun zorg niet, zoals de rode stukken pels waarover de priester (Azelin) in vuur en vlam was, ze kenden geen tongen van bont en handschoenen; niet met Griekse mantels maar met zwarte lompen versierden zij zich.”[4] 

Zij zouden wel eens verband kunnen houden met de in Poitiers bestaande cultus van de heilige Radegonde en in het bijzonder met het verhaal van de ‘Grand’Goule’.[5] In het ondergrondse Poitiers leefde een verschrikkelijke draak die “Grand’Goule” werd genoemd. Mensen die hem tegenkwamen werden onmiddellijk verslonden. De nonnen van de Sainte-Croix abdij smeekten Sint Radegonde om in te grijpen. De zeer moedige heilige ging op het beest af met een relikwie van het Kruis dat geschonken was door de keizer van Byzantium. Bij de aanblik van dit heilige reliek, werd het ondier geveld.

                Beelden van de “Grand’Goule” werden door de straten van de stad in de processies meegedragen tijdens de Kruisdagen, drie dagen voor Hemelvaart. De inwoners van Poitiers wierpen dan met koekjes genaamd “casse-museaux”, zeggend: “Bescherm ons Grand’Goule”, “Bescherm ons voor het komende jaar.” Iets dergelijks zou misschien ook de functie van de gulae geweest kunnen zijn, een soort gelukbrengende talismannen die naar de “Grand’Goule” van Poitiers verwezen. Gueule betekent bek of muil; casser la gueule à is iemand op zijn bek slaan en museau is de snuit van een dier. Casse-musseaux wil dus zoiets zeggen als: sla de snuit (van de draak).

Zowel in vaderlijke als in moederlijke lijn stamde Hendrik IV af van de “Saxenslachter” Karel de Grote, die bij zijn agressieve verbreiding van Christendom tienduizenden Saksen had gedood. De verwachting was dat hij de “politiek” van zijn voorvaderen en in het bijzonder zijn vader Hendrik III zou voortzetten met de bedoeling het Saksische volk tot slavernij te dwingen. Men kon met zo’n kind beter geen risico nemen; hij moest gedood worden nu hij nog jong was.

In 1057 besloten de Saksische edelen korte metten met de 7-jarige te maken:

“De Saksische vorsten vergaderden op frequente bijeenkomsten over de ongerechtigheden die hen onder de keizer [Hendrik III] waren aangedaan en zij geloofden zich daarvoor geen betere genoegdoening te kunnen verschaffen dan zijn zoon de rijksregering te ontworstelen, zolang zijn jeugd een gunstige gelegenheid voor zo’n gewelddaad bood. Het vermoeden lag immers voor de hand, dat de zoon in karakter en leefwijze zoals men pleegt te zeggen, in de voetstappen van zijn vader zou treden… zij besloten de koning te doden wanneer zich ook maar een gelegenheid voordeed.”[6]

Na de dood van Hendrik III deed keizerin Agnes al het mogelijke om het de Saksische edelen met landschenkingen en restituties naar de zin te maken.[7]

Hendrik IV is geboren in de keizerpalts van het Saksische Goslar en hier bracht hij het grootste deel van zijn jeugd door. Dankzij de zilvermijn in de naburige Rammelsberg beschikte deze palts over genoeg financiële middelen om de hofhouding wel twee maanden achter elkaar te kunnen verzorgen. Het moet een naargeestige plek geweest zijn voor een gevoelig kind. Het was hier in het middelgebergte altijd kouder dan in het omliggende land en de sneeuw viel al vroeg in het jaar. De lucht was vervuld van houtrook door de aanwezigheid van de vele kolenbranderijen, die brandstof leverde voor de ertsindustrie. De ertskarren van de mijnwerkers ratelden met veel lawaai over de keien. Alles in Goslar draaide om de mijn.  De palts was een enclave in vijandelijk gebied, omringd door donkere wouden, vol wilde dieren en heksen. Als een voortdurend memento mori was in de tegenoverliggende kerk het hart van Hendriks vader begraven, naast het graf van een van zijn jonggestorven zusters.

Op 11 november 1065 kon Hendrik hier zijn 15e verjaardag vieren. De jonge koning had grote plannen, die hem werden ingefluisterd door vice-dominus Benno, de beheerder van de palts, en door zijn mentor aartsbisschop Adalbert, aan wie hij kort tevoren nog omvangrijke privileges geschonken had. In Saksen moest de rechtsorde worden hersteld.

                Hendrik IV was zich van zijn afkomst bewust en hij beschouwde Karel de Grote als zijn voorbeeld. Het werd zijn ideaal het rijk en de gebruiken van de grote Karel in ere te herstellen.

                Heinricus, cum ad maturam venisset aetatem, relicto episcopo [Anno], secundum propriam vixit voluntatem, promittensque Karolum Magnum suo seculo sese representaturum, Roboam[8] se representatavit. Anno curiae se abdicavit ideo, in ocia se recipiens. Adelbertus Bremensis archiepiscopus loco eius non industriae, substituitur.[9]

Via een oorkonde voor het Mariastift te Aken liet hij in 1076 proclameren:

antecessorum nostrorum regum seu imperatorum exemplis didicimus, quantum honoris et utilitatis regibus contulerit et negaverit honor et status ecclesiarum ab eisdem regibus servatus et adauctus, neglectus et minutus. Ut enim de bonis sumamus exempla, sic magni Karoli imperatoris dive memorie consuevit facere prudentia, qui ecclesias fundavit, fundatas prediis ditavit, honore ampliavit, religion dilatavit: in cuius dilatatione quantum honoris et commodi sibi et regno contulerit, magni  nominis eius fama in universali adhuc servat ecclesia. Cuius meritorum et virtutis commemoratio procul dubio successsorum est edificatio; quem et nos pro posse dei adiutorio imitari cupientes, eius exemplo re nostras ampliari et regni statum dilatari credimus, sie eius exemplo … religionem ecclesiarum servare voluerimus[10].

 

Voorgeschiedenis van de opstand

Vanaf 1065:  Hendrik IV laat zes nieuwe burchten bouwen rondom het koningsgoed in de Harz.

1066:  Aartsbisschop Adalbert door de vorsten ten val gebracht. 13 juli (Dag van de “kuise” heilige keizer Hendrik II):  Hendrik IV wordt tegen zijn wil uitgehuwelijkt aan Bertha van Turijn.

1070:  Otto von Nordheim wordt ervan beschuldigd een aanslag op Hendrik IV te hebben voorbereid.

1073-1075 Saksenopstand.

Aanleiding – maar geen structurele oorzaak – tot de uitbarsting van het conflict was een hofdag op het feest van de apostelen Petrus en Paulus (29 juni) in Goslar, waartoe Hendrik IV de bisschoppen, hertogen en graven had uitgenodigd. Volgens Bruno zou de koning echter de hele dag niemand te woord gestaan hebben, maar de deuren van zijn kamer gesloten hebben gehouden, waar hij “met zijn kruiperige hovelingen het dobbelspel en andere onnutte dingen bedreven” zou hebben, “onbekommerd erover dat hij zoveel belangrijke mannen voor zijn deur liet wachten alsof zij de nederigste knechten waren. Zo verging de hele dag, zonder dat hij zelf of een bode, die de waarheid bericht zou hebben naar buiten kwam. Toen het al nacht geworden was, kwam een van zijn hovelingen naar buiten en vroeg de vorsten honend, hoe lang zij daar nog wilden wachten, daar de koning al door een andere deur naar buiten gegaan was en in snelle rit naar zijn burcht ijlde. Toen geraakten allen over de smadelijk hoogmoedige behandeling van de koning dermate in opwinding, dat zij hem nog in dat uur zonder schuwheid openlijk de trouw opgezegd zouden hebben, als niet markgraaf Dedi dankzij zijn wijsheid hun toorn bezwicht  had.” Dat Hendrik IV een hofdag voor het hele rijk georganiseerd zou hebben en vervolgens de hele dag niemand van de edelen te woord zou hebben gestaan, lijkt ongeloofwaardig. Het ging om een aparte groep Saksische edelen, die wist door te dringen tot zijn privé-vertrekken. Het is twijfelachtig of het gebruikelijk en toegestaan was om zich op een dergelijke manier toegang tot de koning te verschaffen[11]. Hendriks reactie toont wel dat hij geschrokken was van deze inbreuk in zijn privé-sfeer. Hij verliet de palts van Goslar door een andere uitgang en begaf zich met grote haast naar zijn burcht (waarschijnlijk de Harzburg) –  vermoedelijk omdat hij het niet meer veilig vond de nacht in Goslar door te brengen. Dit zegt meer over het provocatieve karakter van het optreden van de Saksen dan over dat van de koning.

                De Saksische edelen, die nog dezelfde nacht gezamenlijk gezworen hadden “liever te sterven dan een leven in smaad en schande te leiden”[12] riepen nu hun stamgenoten op tot een bijeenkomst in Hoetensleben. Hertog Otto van Northeim, zelf eigenaar van de grootste burcht van Saksen, de Diesenburg bij Paderborn, hield volgens Bruno de volgende toespraak, waarin het een somber beeld schetste, van wat naar zijn mening de koning van plan was te doen:

De onbillijkheid en smaad, die onze koning al sinds lang over ieder van jullie gebracht heeft, zijn groot en ondraaglijk; maar wat hij zich voorgenomen heeft te doen, als de almachtige God het toelaat, is nog veel groter en zwaarder. Sterke burchten heeft hij, zoals jullie weten, in grote getale [het ging in werkelijkheid om zes burchten] op van nature vaste plaatsen opgericht en tamelijk beduidende krachten van zijn vazallen met alle soorten wapens rijkelijk voorzien erin ondergebracht. Wat deze burchten betekenen hebben de meeste van jullie reeds ondervonden en als niet Gods barmhartigheid en jullie macht het verhinderen, zullen allen het spoedig weten. Want niet tegen de heidenen, die ons hele grensgebied verwoest hebben [het bewaken van de grens met de naburige Wendische stammen was overigens een plicht van de Saksische markgraven, die zij dus kennelijk niet voldoende nagekomen waren] zijn zij opgericht, maar midden in ons land, waar niemand hem van plan was aan te vallen [Hendrik IV werd al vanaf 1057 in Saksen met de dood bedreigd] werden deze bolwerken bevestigd. Jullie, die en de nabijheid wonen, nemen zij met geweld eigendommen af en slepen die in deze burchten, jullie vrouwen en dochters misbruikten zij naar believen voor hun lust. Jullie knechten en zelfs jullie trekvee eisen zij naar believen voor hun dienst, ja zelfs jullie zelf dwingen zij elke last – al is het nog zo schandelijk – op jullie schouders te dragen. Maar als  ik mij in gedachten voorstel wat ons nog te wachten staat, schijnt mij alles wat jullie nu dulden nog dragelijk. Als hij namelijk zijn burchten in ons land eerst naar eigen goeddunken gebouwd en ze met bewapende krijgers en alle overige benodigdheden uitgerust heeft, dan zullen zij jullie have niet meer afzonderlijk plunderen, maar alles wat jullie bezitten zal hij jullie met één slag ontnemen, jullie goederen aan vreemden geven en jullie zelf, vrije en edele mannen als knechten laten dienen”.[13]

Onder de indruk van Otto van Nordheims toekomstvisioen van een totale onderwerping van Saksen, sloten de aanwezige Saksische edelen zich aaneen tot één groot leger, een maximus exercitus, dat onmiddellijk naar de Harzburg trok, waar Hendrik IV zich nietsvermoedend bevond. Zij brachten een eisenpakket naar voren dat door de koning ingewilligd moest worden, anders zouden zij tegen hem een gerechtvaardigde oorlog, een bellum iustum voeren.

Nog nooit waren er zulke zware beschuldigingen tegen een koning uitgesproken.[14] Hendrik IV voelde zich diep beledigd, in zijn eer aangetast[15] en sprak van “de misdaad van majesteitsschennis(crimen laesa maiestatis).[16] Hij weigerde aan de eisen van de Saksen gehoor te geven en stuurde zelfs zijn eigen raadgevers weg toen zij hierop aan bleven dringen[17]. Dat de beschuldigingen die door de Saksen tegen Hendrik IV naar voren gebracht werden fictief waren, wordt benadrukt door de schrijver van de Vita Heinrici, die spreekt van “verzonnen en bijeengeschreven misdaden, die mij misselijk zouden maken als ik ze opschreef en jou als je ze zou lezen”.[18]

 De burchten van Hendrik IV waren een bron van ergernis voor de Saksen (Harzburg, juli 2009)
© 2010 Ria van Loenen Suffusion theme by Sayontan Sinha