Behalve veel landbezit beschikte Agnes ook over kostbare kleding en een schat aan sieraden. De kledij van Agnes en Hendrik beïnvloedde het modebeeld
van hun tijd. De Byzantijnse stijl bleef “in”, maar in plaats van de zakachtige gewaden van hun voorgangers droegen zij nauwsluitende kleren die de
lichaamsvormen benadrukten[1]. Hiermee vestigden zij de aandacht op hun “schone gestalte”. Agnes droeg diverse sieraden, zoals te zien is aan uit de zogeheten “Mainzer schat van koningin Agnes”. Deze schat bestaat uit ringen, fibula’s, meerdere halve maanvormige oorhangers en spelden waarmee een sluier aan het haar kan worden bevestigd. Het meest opvallend waren een buitengewoon fraaie en kostbare juwelenkraag met bijpassende borstbedekking, die een imitatie vormden van de byzantijnse keizerlijke insignes loros en maniakion. De schat werd in de 19e eeuw door grondwerkers gevonden in de joodse
wijk van de stad Mainz. Hoe ze daar terechtgekomen is blijft een mysterie.
Agnes had een speciale theologieleraar, de later heilig verklaarde Ulrich van Zell, een neef van bisschop Nitker van Freising (1039-1052), die in zijn jonge jaren kapelaan was aan het hof van zijn peetoom Hendrik III. Dit hof werd door de biograaf van Ulrich vergeleken met dat van Nebukadnezar, waar de jonge heilige bijna als een gevangene leefde. Hij die eeuwige kuisheid had gezworen, leed zeer onder alles wat hij in de omgeving van de keizer te zien kreeg. Agnes streefde ernaar van zijn vroomheid te leren.[2] Zij voelde zich aangetrokken tot zijn beminnelijkheid en de ‘zoetheid van zijn manieren’, wat betekent dat Ulrich er ondanks zijn vroomheid en ascese hoofse manieren op na hield.[3]
Pikant detail is dat de vrome Ulrich bekend stond als “eunuch van Christus” nadat hij zichzelf met behulp van een gloeiend ijzer had geprobeerd te ontmannen[4].
Eunuchen speelden zoals bekend ook een belangrijke rol in de Byzantijnse keizerlijke hofhouding.
In een legende uit Goslar wordt verteld hoe de keizerin reageerde bij de verdwijning van haar juwelen en dat zij een dienaar liet doden op verdenking
van diefstal; ten onrechte zoals bleek.
“De mooie Agnes van Poitiers, de gemalin van keizer Hendrik III, deelde de voorliefde van haar hoge gemaal voor het door woud en bergen omgeven stadje in de Harz aan de Gose. In de palts te Goslar had zij de eerste gelukkige tijd van haar huwelijk beleefd en zij keerde later graag weer hier terug. Eens, toen zij zich
hier weer gedurende lange tijd ophield, werden uit haar verwarmde kamer vele juwelen, gouden kettingen, armbanden en dergelijke ontvreemd. Omdat niemand behalve zijzelf en een vertrouwde dienaar toegang tot dit vertrek had, verdacht zij hem er van de kleinodiën gestolen te hebben. Hoewel hij heftig zijn
onschuld bezwoer, en hoewel ondanks alle onderzoekingen niets bij hem gevonden werd, moest hij toch naar de wil van de keizerin wegens zijn vermeende ontrouw met de dood boeten. Nadat het oordeel over de ongelukkige allang voltrokken was, zou door een merkwaardig toeval de duisternis die over het voorval lag opgehelderd worden.
Tegenover de keizerpalts bevond zich de keizerpoort, die Scharper- of Frankenpoort genoemd werd. Hier stond een mooie linde met dikke takken en in de top ervan had een raaf zijn nest gebouwd. Toen de mooie, jonge keizerin op een dag bij het venster van haar kamer stond en het in de zon schitterende landschap overzag, straalde haar vanuit de twijgen van de linde een metaalachtig fonkelen tegemoet, zodat zij nieuwsgierig werd en wilde weten wat de diefachtige vogel
daar wel verzameld had. Zij beval een van haar dienaren in de boom te klimmen, het ravennest eruit te halen en bij haar te brengen. Maar wie schetst de
ontzetting van de rechtvaardige en nobel denkende vrouw, toen zij in het nest al haar vermiste kleinodiën terugvond om wille waarvan de trouwe dienaar
onschuldig een afschuwelijke dood was gestorven. Zonder twijfel had de diefachtige raaf door een open raam van de kamer de glimmende voorwerpen gezien
en meegenomen naar zijn nest. Keizerin Agnes raakte daarop in grote gewetensnood en had graag elk offer gebracht als zij daarmee de onschuldig vermoorde weer tot leven had kunnen wekken. Om het onrecht goed te maken, stichtte zij op de kalkberg ten oosten van de stad op advies van haar biechtvader een klooster, dat zij wijdde aan de heilige Petrus. Omdat de bouw van het klooster haar te lang duurde, liet zij in de nabijgelegen rots, die nog steeds Klus (kluis) heet
een kapel uithakken, waar dagelijks door meerdere priesters een mis voor haar zielenheil gelezen moest worden.
Het klooster op de Petersberg werd door de vrome keizerin uitgerust met rijksonmiddellijke goederen, belangrijke grondstukken in de omgeving van de stad, zodat het snel aanzien kreeg en tot grote bloei kwam. De stiftsheren heetten kapelaans van de koningin (Capellanie reginae) en stegen tot de hoogste kerkelijk eer. Het bisdom Hildesheim werd meermaals met proosten uit dit klooster van de Petersberg bezet. Onder Barbarossa werd een van hen, de graaf Reinout van
Dassel, kanselier van het rijk en begeleidde als zodanig de keizer bij al zijn veldtochten.[5]
Ulrich van Zell vermaande de keizerin, “de onmatigheid van begeerten aan het hof vermijdend”, in weinig vleiende bewoordingen hoe zij haar geest
moest sieren met heilige deugden in plaats van “de verwelkte bloem” van haar lichaam te “bepleisteren” met de weelde van kostbare gewaden.[6] In de laatste jaren van haar leven wijdde Agnes zich geheel aan haar geloof en gaf zij al haar bezittingen weg. Aan het klooster Monte Cassino gaf zij bijvoorbeeld het volgende:
“schitterende geschenken, te weten een kazuifel (“planetam diaspram”), geheel aan alle kanten met goud bedekt; een wit zijden kleed (“alba”), vanaf hoofd en schouders, bij de handen met een rand mooi versierd, bij de voeten met een brede, ellenlange zoom; een bovenkleed (“amicta”) met borststuk (“brusto”), twee purperen mantels (“pluviales”) versierd met gouden zomen; een verscheurde lap met gouden zomen om voor grote altaren te hangen[7];een grote Griekse mantel (“pallium”) met olifanten, die dorsale genoemd wordt; een evangelieboek versierd met gedraaid zilver en zeer mooie gouden opschriften
en ook twee zilveren gedraaide kandelaars van 12 pond.”[8]
Petrus Damiani beschreef haar aankomst in Rome nadat zij afstand gedaan had van haar aardse bezittingen: “Haar kleed was zwart en van wol, haar rijdier een slecht paard, nauwelijks zo groot als een ezel. Op haar hoofd lag een sluier; een zak verving het purper, een psalterium nam de plaats van de scepter in. De tere hals, waar vroeger een ketting met goudplaatjes en roodachtig glanzende parels hing, werd nu stuk geschuurd door de ruwe kraag van het wollen kleed.”
[1] M. Vogt-Lüerssen, Alltag im Mittelalter, (Website). http://www.kleio.org/
[2] Bulst- Thiele, M.L., 22.
[3] Jaeger, C.S., 152.
[4]
Ex Vita s. Udalrici prioris Cellensis, c. 3, n. 8.
[5] Asche, T., Sagen von Goslar, (Goslar, 1910), 32.
[6] Ex Vita s. Udalrici prioris Cellensis, c. 5.
[7]
Misschien een verwijzing naar de Voorhang van de Tempel, die van onder tot
boven in tweeën gespleten werd toen Christus aan het kruis stierf.
[8]
Bulst-Thiele, 95.





Recent comments