Sieraden in Byzantijnse stijl uit het bezit van Keizerin Agnes

Behalve veel landbezit beschikte Agnes ook over kostbare kleding en een schat aan sieraden. De kledij van Agnes en Hendrik beïnvloedde het modebeeld
van hun tijd. De Byzantijnse stijl bleef “in”, maar in plaats van de zakachtige gewaden van hun voorgangers droegen zij nauwsluitende kleren die de
lichaamsvormen benadrukten[1]. Hiermee vestigden zij de aandacht op hun “schone gestalte”.  Agnes droeg diverse sieraden, zoals te zien is aan  uit de zogeheten “Mainzer schat van koningin Agnes”. Deze schat bestaat uit ringen, fibula’s, meerdere halve maanvormige oorhangers  en spelden waarmee een sluier aan het haar kan worden bevestigd. Het meest opvallend waren een buitengewoon fraaie en kostbare juwelenkraag met bijpassende borstbedekking, die een imitatie vormden van de byzantijnse keizerlijke insignes  loros en maniakion. De schat werd in de 19e eeuw door grondwerkers gevonden in de joodse
wijk van de stad Mainz. Hoe ze daar terechtgekomen is blijft een mysterie.

Agnes had een speciale theologieleraar, de later heilig verklaarde Ulrich van Zell, een neef van bisschop Nitker van Freising (1039-1052), die in zijn jonge jaren kapelaan was aan het hof van zijn peetoom Hendrik III. Dit hof werd door de biograaf van Ulrich vergeleken met dat van Nebukadnezar, waar de jonge heilige bijna als een gevangene leefde. Hij die eeuwige kuisheid had gezworen, leed zeer onder alles wat hij in de omgeving van de keizer te zien kreeg. Agnes streefde ernaar van zijn vroomheid te leren.[2] Zij voelde zich aangetrokken tot zijn beminnelijkheid en de ‘zoetheid van zijn manieren’, wat betekent dat Ulrich er ondanks zijn vroomheid en ascese hoofse manieren op na hield.[3]

Pikant detail is dat de vrome Ulrich bekend stond als “eunuch van Christus” nadat hij zichzelf met behulp van een gloeiend ijzer had geprobeerd te ontmannen[4].
Eunuchen speelden zoals bekend ook een belangrijke rol in de Byzantijnse keizerlijke hofhouding.

In een legende uit Goslar wordt verteld hoe de keizerin reageerde bij de verdwijning van haar juwelen en dat zij een dienaar liet doden op verdenking
van diefstal; ten onrechte zoals bleek.

“De mooie Agnes van Poitiers, de gemalin van keizer Hendrik III, deelde de voorliefde van haar hoge gemaal voor het door woud en bergen omgeven stadje in de Harz aan de Gose. In de palts te Goslar had zij de eerste gelukkige tijd van haar huwelijk beleefd en zij keerde later graag weer hier terug. Eens, toen zij zich
hier weer gedurende lange tijd ophield, werden uit haar verwarmde kamer vele juwelen, gouden kettingen, armbanden en dergelijke ontvreemd. Omdat niemand behalve zijzelf en een vertrouwde dienaar toegang tot dit vertrek had, verdacht zij hem er van de kleinodiën gestolen te hebben. Hoewel hij heftig zijn
onschuld bezwoer, en hoewel ondanks alle onderzoekingen niets bij hem gevonden werd, moest hij toch naar de wil van de keizerin wegens zijn vermeende ontrouw met de dood boeten. Nadat het oordeel over de ongelukkige allang voltrokken was, zou door een merkwaardig toeval de duisternis die over het voorval lag opgehelderd worden.

Tegenover de keizerpalts bevond zich de keizerpoort, die Scharper- of Frankenpoort genoemd werd. Hier stond een mooie linde met dikke takken en in de top ervan had een raaf zijn nest gebouwd. Toen de mooie, jonge keizerin op een dag bij het venster van haar kamer stond en het in de zon schitterende landschap overzag, straalde haar vanuit de twijgen van de linde een metaalachtig fonkelen tegemoet, zodat zij nieuwsgierig werd en wilde weten wat de diefachtige vogel
daar wel verzameld had. Zij beval een van haar dienaren in de boom te klimmen, het ravennest eruit te halen en bij haar te brengen. Maar wie schetst de
ontzetting van de rechtvaardige en nobel denkende vrouw, toen zij in het nest al haar vermiste kleinodiën terugvond om wille waarvan de trouwe dienaar
onschuldig een afschuwelijke dood was gestorven. Zonder twijfel had de diefachtige raaf door een open raam van de kamer de glimmende voorwerpen gezien
en meegenomen naar zijn nest.  Keizerin Agnes raakte daarop in grote gewetensnood en had graag elk offer gebracht als zij daarmee de onschuldig vermoorde weer tot leven had kunnen wekken.  Om het onrecht goed te maken, stichtte zij op de kalkberg ten oosten van de stad op advies van haar biechtvader een klooster, dat zij wijdde aan de heilige Petrus. Omdat de bouw van het klooster haar te lang duurde, liet zij in de nabijgelegen rots, die nog steeds Klus (kluis) heet
een kapel uithakken, waar dagelijks door meerdere priesters een mis voor haar zielenheil gelezen moest worden.

Het klooster op de Petersberg werd door de vrome keizerin uitgerust met rijksonmiddellijke goederen, belangrijke grondstukken in de omgeving van de stad, zodat het snel aanzien kreeg en tot grote bloei kwam. De stiftsheren heetten kapelaans van de koningin (Capellanie reginae) en stegen tot de hoogste kerkelijk eer. Het bisdom Hildesheim werd meermaals met proosten uit dit klooster van de Petersberg bezet. Onder Barbarossa werd een van hen, de graaf Reinout van
Dassel, kanselier van het rijk en begeleidde als zodanig de keizer bij al zijn veldtochten.[5]

Ulrich van Zell vermaande de keizerin, “de onmatigheid van begeerten aan het hof vermijdend”, in weinig vleiende bewoordingen hoe zij haar geest
moest sieren met heilige deugden in plaats van “de verwelkte bloem” van haar lichaam te “bepleisteren” met de weelde van kostbare gewaden.[6] In de laatste jaren van haar leven wijdde Agnes zich geheel aan haar geloof en gaf zij al haar bezittingen weg. Aan het klooster Monte Cassino gaf zij bijvoorbeeld het volgende:

“schitterende geschenken, te weten een kazuifel (“planetam diaspram”), geheel aan alle kanten met goud bedekt; een wit zijden kleed (“alba”), vanaf hoofd en schouders, bij de handen met een rand mooi versierd, bij de voeten met een brede, ellenlange zoom; een bovenkleed (“amicta”) met borststuk (“brusto”), twee purperen mantels (“pluviales”) versierd met gouden zomen; een verscheurde lap met gouden zomen om voor grote altaren te hangen[7];een grote Griekse mantel (“pallium”) met olifanten, die dorsale genoemd wordt; een evangelieboek versierd met gedraaid zilver en zeer mooie gouden opschriften
en ook twee zilveren gedraaide kandelaars van 12 pond.
[8]

Petrus Damiani beschreef haar aankomst in Rome nadat zij afstand gedaan had van haar aardse bezittingen: “Haar kleed was zwart en van wol, haar rijdier een slecht paard, nauwelijks zo groot als een ezel. Op haar hoofd lag een sluier; een zak verving het purper, een psalterium nam de plaats van de scepter in. De tere hals, waar vroeger een ketting met goudplaatjes en roodachtig glanzende parels hing, werd nu stuk geschuurd door de ruwe kraag van het wollen kleed.”

 


[1] M. Vogt-Lüerssen, Alltag im Mittelalter, (Website). http://www.kleio.org/

[2] Bulst- Thiele, M.L., 22.

[3] Jaeger, C.S., 152.

[4]
Ex Vita s. Udalrici prioris Cellensis, c. 3, n. 8.

[5] Asche, T., Sagen von Goslar, (Goslar, 1910), 32.

[6] Ex Vita s. Udalrici prioris Cellensis, c. 5.

[7]
Misschien een verwijzing naar de Voorhang van de Tempel, die van onder tot
boven in tweeën gespleten werd toen Christus aan het kruis stierf.

[8]
Bulst-Thiele, 95.

 

Keizerin Zoë van Byzantium. (mozaiëk uit de galerij van de Hagia Sophia in Constantinopel/Istanbul)

Al in zijn vroegste jeugd was Hendrik III doordrongen van de Byzantijnse cultuur[1]. Er zijn aanwijzingen dat hij zich ook in de Griekse taal heeft verdiept. Hij bezat een Latijns-Grieks psalterium dat in de 10e eeuw in Fulda geschreven werd. Deze tweetalige psalmenboeken, waarvan er enkele bewaard gebleven zijn, werden destijds gebruikt als hulpmiddel om Grieks te leren vanuit het Latijn. Op fol.1r en 231rv staan Latijnse en Griekse schrijfoefeningen in een niet uit Fulda afkomstig handschrift, met daaronder:”Rex regnorum tuis famulatus qui regnaturus rex Heinricus pacis amicus.” (“Koning der Koningen, van Uw dienaar die zal regeren, koning Hendrik vriend van de vrede”) [2].

In 1028 werd Hendrik 12 jaar een bereikte daarmee de leeftijd van een jongeling. Het werd  tijd om over een huwelijk na te gaan denken. Met het huwelijk van keizer Otto II en Theophanu in gedachten, stuurde Koenraad II in 1028 een gezantschap naar Constantinopel om aan het Byzantijnse hof te speuren naar een geschikte huwelijkspartner voor zijn zoon. De combinatie Rome-Byzantium begon al een traditie te worden. Ook Otto III had op het punt gestaan met een Byzantijnse prinses te trouwen voor  hij op 22-jarige leeftijd stierf.

Keizer Constantijn IX had geen zoon en opvolger. Wie de hand van een van zijn dochters wist veroveren kon op een enorme machtsuitbreiding rekenen. Het lijkt op het eerste gezicht verbijsterend, want de drie dochters van Constantijn, Eudoxia, Zoë en Theodora  moeten toen al de veertig gepasseerd zijn.  Maar een huwelijk tussen een jonge man en een oudere vrouw werd destijds positief gewaardeerd en gold zelfs als te verkiezen boven een huwelijk tussen een jonge vrouw en een oude man, dat tot overspeligheid van de vrouw kon leiden. “Niemand had er bezwaar tegen dat de weduwe nu van ganser harte de vriendin van de jongeman werd; wij zagen hen samen naar de kerk gaan, samen zaten ze aan tafel en samen gingen ze naar bed. Weldra noemde hij zijn meesteres ‘moeder’, zij noemde hem ‘zoon’. De dienaren en dienaressen plachten hem ‘vader’ te noemen en hij noemde hen zijn kinderen. Nooit zagen wij een grotere liefde en een zo goed bij elkaar passend echtpaar. De deur … stond steeds open voor rijk en arm.”[3] Wanneer Hendrik eenmaal keizer van Byzantium geworden zou zijn kon hij, indien zijn echtgenote haar vruchtbaarheid verloren had, desnoods een van de buitenechtelijke kinderen (die hij ongetwijfeld zou krijgen) tot zijn opvolger benoemen. “De Grieken vragen alleen naar de vader, niet naar de moeder”.[4]

De reis van het gezantschap naar Constantinopel was een avontuurlijke onderneming. Met grote kuddes paarden, runderen, schapen en zwijnen benevens zoveel mogelijk pracht en praal om het Byzantijnse hof te imponeren gingen de gezanten op weg. De leiding was in handen van bisschop Werner van Straatsburg en de Zwabische graaf Manegold. Zij hadden zich verkleed als pelgrims, maar maakten geen overtuigende indruk. Toen zij van de oriënt-pelgrimsroute gebruik wilden maken, werden zij bij de Hongaarse grens al teruggestuurd. Via Beieren en de Brenner bereikten zij de Veronese Mark, waar ze eveneens lang werden opgehouden.

Na een moeizame overtocht vanuit Venetië werd uiteindelijk de Byzantijnse hoofdstad bereikt. Er viel de onderhandelaars een eervolle ontvangst ten deel en graaf Manegold kreeg zelfs een splinter van het Heilige Kruis cadeau. Maar de onderhandelingen over het huwelijk sleepten zich lange tijd voort, zolang, dat bisschop Werner al op het punt stond door te reizen naar Jeruzalem voor een bedevaart. Plotseling werd hij echter ernstig ziek en overleed op 28 oktober 1028. Ook Keizer Constantijn werd ziek. Vanaf zijn sterfbed beval hij een ver familielid, Romanos Argyros, met een van zijn dochters te trouwen. Eigenlijk was Romanos al getrouwd, maar bedreigd met blindmaking werd hij gedwongen van zijn vrouw te scheiden. Hij huwde Zoë, nadat Theodora had geweigerd uit gewetensnood. Na zes huwelijksjaren werd Romanos vergiftigd – naar men beweerde door Zoë.

Bij Romanos’ kroning miste men de splinter van het Heilige Kruis en graaf Manegold werd ervan beschuldigd het reliek te hebben gestolen. Omdat hij de kostbare
schat al naar huis gestuurd had, kon niets tegen hem worden bewezen. Het kruisreliek kwam behouden aan bij Koenraad II en zorgde voor een enorme
opleving in de verering van het Heilige Kruis.

De nieuwe Byzantijnse keizer, die de onderhandelingen voortzette, kwam met het voorstel dat Hendrik met één van zijn zusters mocht trouwen, maar dat betekende niet de machtsuitbreiding waar Koenraad II op gehoopt had, en het plan werd opgegeven.


[1] Ohnsorge, W., 331.

[2] Hoffmann, H., Buchkunst, 144.

[3] Ruodlieb VI, 101-123.

[4] Volgens Liutprand van Cremona, Antapodosis. Van Winter, J. M,  “The education of the daughters of the
nobility in the Ottonian Empire”, in:  The empress Theophanu, p. 87.

 
Keizerin Theophanu (mozaïek in de St. Pantaleonkerk te Keulen)

Keizerin Theophanu (mozaïek in de St. Pantaleonkerk te Keulen)

Was Keizer Koenraad II, de vader van Hendrik III,  eigenlijk wel de zoon van de Frankische graaf Hendrik van de Speyergouw? Dit is de officiële lezing. Er zijn
echter ook verschillende aanwijzingen dat Koenraad eigenlijk een bastaardzoon was van niemand minder dan keizer Otto III.

Om te beginnen is er  een oorkonde uit 1051[1], waarin de schenking van het door Otto II aan het nonnenklooster te Nordhausen gegeven
landgoed Vogelsberg wordt bekrachtigd door keizer Hendrik III. Hierin krijgt Otto II van Hendrik III een uitzonderlijk predicaat: “voorganger onder de
voorgangers”, “antecessor antecessorum” wordt hij genoemd. Een eerder door Hendrik III verstuurde brief maakt ons duidelijk waarom.

In zijn antwoord had Hendrik III aan de Byzantijnse keizer laten schrijven dat hijzelf van Griekse afstamming was en dat hij Otto II en Theophanu
beschouwde als de grondleggers van zijn geslacht. Ter gelegenheid van de Synode van Mainz in oktober 1049 was Hendrik III namelijk
bezocht door een Byzantijnse delegatie, een afvaardiging van keizer Konstantinos IX Monomachus. De gezanten overhandigden hem een brief van zijn Griekse collega.

Het ging om twee ca. 4 m lange en 40 cm brede rotuli, samengesteld uit meerdere stukken purperperkament, met goud beschreven en versierd met brede sierlijsten links en rechts en met een zogenaamd menologem als eigenhandige ondertekening in rode inkt. De tekst bestond uit twee delen, één in het Grieks
en één in het Latijn. Een dergelijk stuk was in het Avondland een grote bijzonderheid.[2] Hendrik III bewaarde de purperen oorkonde dan ook zorgvuldig en gebruikte de beide rotuli als voorhang voor het hoogaltaar in de door hemzelf gestichte kerk van de apostelen Simon Zealotus en Judas Thaddeus te Goslar. De brief van Konstantinos IX Monomachus was bovendien versierd met een gouden bul die maar liefst 22 mark woog. Dit goudstuk liet Hendrik III ten behoeve van zijn kerk verwerken in een gouden kelk voor de mis, aldus de kroniek van het Stift Simon en Judas[3].

Adam van Bremen[4] schreef over de briefwisseling tussen beide keizers het volgende: “Bij de opeenstapeling van ons geluk kwam nog dat van de moedige keizer van de Grieken Monomachus en Hendrik van Frankrijk gelukwensen overgebracht zijn aan onze keizer [Hendrik III] over de bisschop” [aartsbisschop
Adalbert van Hamburg-Bremen] “wegens zijn wijsheid en trouw, zijn krachtige en goede daden, zijn raad. Toen, terugschrijvend aan Constantinopel, liet hij” [Hendrik III] “zich ontvallen onder andere af te stammen van het Griekse geslacht met Theophanu en de moedige Otto als zijn voorouders. Daarom was het geen wonder dat hij zo van de Grieken hield, wier kleding en gebruiken hij wilde imiteren, wat hij ook deed. Hetzelfde liet hij ook aan de koning van Frankrijk en anderen weten.”

De overtuiging waarin Hendrik III verkeerde, dat Otto II en Theophanu zijn voorouders waren, werd gedeeld door de geschiedschrijver
en abt Hugo van Flavigny. Deze heeft in zijn kroniek geschreven dat zijn eigen grootmoeder van moederskant, Chrothildis, een buitenechtelijke dochter van Otto III was en een zuster van Koenraad II, die zelf een zoon van Otto III geweest zou zijn[5]. Hoewel hij in hetzelfde verhaal de fout maakte keizerin Gisela met haar
gelijknamige tante te verwarren, was Hugo van Flavigny in zijn tijd een vermaard historicus en niet alles wat hij beweerde is onzin[6].

De naamgeving in deze stamboom doet vermoeden dat Hugo van Flavigny zijn voorouders niet zomaar verzonnen heeft. Interessant is in dit verband dat de namen Gerardus en Hugo meermaals voorkwamen in de familie van Koenraads moeder Adelheid van Metz. De naam Chrothildis (Rothild) is van Karolingische oorsprong. Een dochter van Karel de Kale heette zo[8]. “Dada” kan de vrouwelijke vorm van Dado geweest zijn. Een bisschop Dado van Verdun (880-923) behoorde eveneens tot de familie[9].

Als Hendrik III dacht dat hij van Otto II en Theophanu afstamde, hoeft het ons ook niet te verbazen dat hij de Ezzonen, de kinderen van paltsgraaf Ezzo en Mathilde, een zuster van Otto III, als zijn naaste bloedverwanten beschouwde.  Aartsbisschop Hermann II van Keulen, een zoon van Ezzo en Mathilde, werd door Hendrik III aangeduid als zijn “allerzoetste neef”, dulcissimum consobrinum nostrum.[10] Een consobrinus is een volle neef of volle achterneef van moederszijde, een zoon of kleinzoon van moeders broer. De moeder van Hermann II, Mathilde, was (als Otto III de grootvader was van Hendrik III) een tante van Koenraad II en een oudtante van Hendrik III[11].

Mathilde, een van de  drie zusters van Otto III, was getrouwd met paltsgraaf Ezzo (Erenfried). Hun tien kinderen heetten Ludolf, Otto, Hermann, Richeza, Adelheid, Ida, Mathilde, Theophanu, Heilwig, en Sophia. Zij allen – en hun kinderen -  ontvingen van Hendrik III bijzondere privileges.[12]

De Quedlinburger annalen benadrukken eveneens de familieband. In 1025 brachten Koenraad II en Gisela hun dochter Beatrix onder in het klooster Quedlinburg bij abdis Adelheid, een andere zuster van Otto III. Beatrix werd door Adelheid “zeer liefdevol en als een zuster”
verzorgd en geadopteerd.[13]

Een van de dochters van Hendrik III staat bekend onder de naam Judith-Sophie. Zij werd gedoopt als Judith, maar kreeg als koningin van Hongarije de naam Sophia. Haar oudste dochter noemde zij eveneens Sophie. “Sophia” wordt in de genealogie van de hoge middeleeuwen beschouwd als een teken van Ottoonse afstamming[14].  Het was de naam van Theophanu’s moeder en ook die van een van haar dochters, een zuster dus van Otto III.

Keizer Otto III (980-1002)


[1] D HIII 259. “qualiter Otto imperator, noster scilicet quorundamque nostrorum antessor antecessorum regum et imperartorum”.

[2] Ohnsorge, W., 322.

[3] Ohnsorge, W., 320. “Item de Grekesche konnig sande dussem einen bref unde dar is van gemaket ein vorhank vor den hogen altar, dat seggel dusses breves woch 22 mark, dar let he af maken enen kelk.”

[4]
Ohnsorge, 318;“Ad hunc nostrae felicitatis cumulum accessit hoc, quod fortissimus imperator grecorum
Monomachus et Heinricicus Francorum transmissis ad nostrum caesarem muneribus congratulati sunt archiepiscopo pro sapientia et fide eius rebusque bene gestis eius consilio.
Tunc ille Constantinopolitano rescribens jactavit se inter alia descendere a Grecorum prosapia Theophanu et fortissimo Ottone sui generis auctoribus. Ideoque nec mirum esse, si Grecos diligeret, quos vellet habitu et moribus imitari; quod et fecit. Similia regi Franciae mandata legavit et aliis.”. M. Adami Gesta, Lib. III, c. 32. MGH SS 7, p. 347.  Hendrik III deelde dezelfde opvatting  waarmee Gerbert van Aurillac Otto III
omschrijft, die van het hoogste Griekse bloed, summus Graecorum sanguis. Ohnsorge, W., 330, n. 68.

[5] Ibidem. Hugonis Chronicon Lib. I.,
MGH SS VIII, p 366: Conradus imperator, tertii Ottonis filius, uxorem duxit, Gisla dicta est, mater Heinrici tertii imperatoris. Ibid. Lib. II: …et
Conradus succesit Othonis III. filius, qui accepit, uxorem Gislam…

[6] Zie ook: Uhlirz, M., “Waren Kaiser Konrad
II und dessen Sohn, Kaiser Heinrich III., Nachkommen Theophanus? Zeitschrift
für die Geschichte des Oberrheins 105 NF 66 (Karlsruhe 1957) 328-33.

[7] MHG SS VIII, p. 280.

[8]
Zij was de moeder van Hugo I graaf van Maine, Ook graaf Gerhard I van Parijs († 779), stamvader van Adelheids familie,
had een dochter die Rothild heette. Wanneer wij nog verder terug gaan in de geschiedenis, ontmoeten we Chlothilde (of Chrodechild) van Bourgondië (geboren
omstreeks 474 in Lyon, gestorven 3 juni 544 in Tours). Door haar huwelijk met Chlodwig (Clovis)I was zij koningin van de Franken. Zij hing het christelijk
geloof aan. Zoals waarschijnlijk bekend liet Clovis zich onder haar invloed met 3000 andere Franken dopen, zodat Chlothilde als een grondlegster van het
christendom in Europa wordt gezien. Zij was de dochter van Chilperich II, medekoning van de Bourgondiërs in Vienne en een nicht van de Bourgondische
koningen Gundobad en Godegisel.

[9]
Als zwager van graaf Matfried III.
Hlawitschka, E,   71.

[10]
D.HIII 29.

[11]
Overigens was Hendrik III, ook als Koenraad II geen ‘bastaard’ geweest zou zijn, een bloedverwant van de Ezzonen, maar dan verre familie. Dudicha (of
Liutgard), de moeder van hertog Otto van Worms, was een zuster van Otto II. En als Koenraad II wèl een zoon van Otto III was, zou Otto van Worms een volle
neef zijn van zijn vader. In beide gevallen was er sprake van een verwantschap tussen Hendrik III, de Ottonen en de Saliërs uit de Pfalz.

[12]
Ludolf, die het  ambt van primipilarius (vaandeldrager) van Keulen uitoefende, was getrouwd met een andere Mathilde, de dochter van
graaf Otto I van Zutphen en Irmingard. Irmingard van Zutphen, “onze geliefde nicht”, die in 1040 de proosdij Rees aan de Rijn tussen Wesel en Emmerich had gesticht, kreeg van Hendrik III de dorpen Herve, Epen, Vaals en Valkenburg[12]. De zonen van Ludolf en Mathilde waren paltsgraaf Hendrik en Koenraad. Paltsgraaf Hendrik werd beschouwd als opvolger Hendrik III toen deze in oktober 1045 ernstig ziek was en stervende leek. Koenraad († 1055) was door Hendrik III tot hertog van Beieren benoemd, maar ontketende vervolgens een opstand waarbij hij van plan was de keizer te vermoorden en zelf de macht over te nemen. De tweede zoon van paltsgraaf Ezzo en Mathilde was Otto († 1047). In 1045 had Hendrik III het hertogdom Zwaben, waarvan hij sinds de dood van zijn halfbroer Hermann IV in 1038 zelf hertog was geweest, afgestaan aan Otto. In ruil voor het hertogsambt ontving  hij het St. Suitbertseiland in de Rijn (Kaiserswerth) en Duisburg. Otto, van wie gezegd werd dat hij een schone gestalte had en dat hij eens in het Thüringerwoud een beer had gevangen op een spectaculaire manier die “het theater waardig” was, steunde Hendrik III in de strijd tegen hertog Godfried van Lotharingen.De derde zoon, Hermann, werd aartsbisschop van Keulen, kanselier van Italië en onmisbare rechterhand van Hendrik III. Hem kwam de bijzondere eer toe de zoon van Hendrik III te dopen en tot koning te kronen.De oudste dochter Richeza († 1063) trouwde met koning Miêsko II van Polen en vluchtte samen met haar zoon Kasimir naar het hof van Hendrik III toen zij door rebellen verdreven werd. Haar zuster Adelheid was abdis van het St. Gertrudisklooster te Nijvel. Hendrik III gaf in 1041 de plaats Nijvel terug aan het klooster en woonde in 1046 de wijding van de nieuwe kloosterkerk bij. Theophanu was abdis van het nonnenklooster St. Cosmas en Damianus te Essen. Hendrik III schonk haar het recht een zesdaagse jaarmarkt te houden met de opbrengsten daarvan. Ook de andere zusters van Otto III werden door Hendrik III met respect bejegend. Sophia was abdis van het beroemde Saksische klooster Gandersheim. Na haar dood in 1039 weigerde Koenraad II haar zuster Adelheid tot haar opvolgster te benoemen. Hendrik III benoemde Adelheid na de dood van zijn vader alsnog. Brunwilarensis monasterii fundato. MGH SS

[13]
Ann. Quedlinburgenses a. 1025, MGH SS III p. 90: “Rex…filiamque unicam unice dilectam, dilectae ac adoptivae sibimet sorori, Adelheidae videlicet abbatissae, nutriendam transmittunt.”

[14] Heinzelman, J., “Der Name Sophia als genealogische Indiz und Problem“, in: Archiv für Familiengeschichtsforschung 4 (2000), p. 96110.

© 2010 Ria van Loenen Suffusion theme by Sayontan Sinha