Oosterbeek 1016/17: De geboortelegende

De 10e eeuwse dorpskerk van Oosterbeek was eigendom van een adellijke familie, vermoedelijk gravin Adela van Hamaland en haar echtgenoot Balderik.
In een legende beschreef Godfried van Viterbo de geboorte van Hendrik III in een afgelegen woud, waar hij met de dood bedreigd werd door een keizer, die hier Koenraad genoemd wordt, maar dat zou dus eigenlijk alleen Hendrik II geweest kunnen zijn. Ondanks verscheidene ongerijmdheden, waarschijnlijk delen van andere legenden die hier ingelast zijn, bevat het verhaal een paar interessante elementen die we ook in andere varianten van dit geboorteverhaal tegenkomen: het woud, gevaar, het huis van een priester, een brief en een hart. Godfried van Viterbo ontleende zijn gegevens onder meer aan geschiedschrijver en bisschop Otto van Freising. Deze Otto was een achterkleinzoon van Hendrik III en moet op de hoogte geweest zijn van de Salische familietraditie.
“Keizer Koenraad ontzag geen enkele aanval op de vrede. Vandaar dat graaf Lupoldus, een aanvaller van de vrede, vrezend door de keizer te worden gedood, in een afgelegen woud vluchtte, waar hij zich met zijn vrouw alleen in een hut schuilhield. Toevallig ging de keizer daar op jacht en die nacht baarde de gravin een zoon. Terwijl hij rondzwierf riep een stem uit de hemel: “O Keizer, dat kind zal jouw schoonzoon en opvolger zijn”. Toen hij de stem driemaal gehoord had, stond de keizer op bij het ochtendgloren en zei tegen twee dienaren: “Ga en dood dat kind en breng mij zijn hart.” Zij namen het kind, maar uit medelijden doodden ze het niet, maar legden het onder een boom en lieten het achter. De koning gaven zij het hart van een haas als zijnde het hart van het kind. De koning gaf hen een beloning. Daarna kwam er een hertog voorbij, vond het kind, nam het mee en adopteerde het als zijn zoon. Veel later zag de keizer de jongen in het huis van de hertog, had de verdenking dat dit degene was die hij had willen doden. Hij nam hem quasi als volgeling aan, maar gaf hem een brief mee voor de koningin waarin stond dat ze hem moest laten doden. De jongen ging nietsvermoedend op weg en vond onderdak in het huis van een priester, die toen hij sliep de brief pakte en opende en ziende dat de jongen gedood zou worden, een andere brief schreef waarin stond: “als je deze jongen ziet, o koningin, geef hem dan onze dochter tot vrouw”, en deze brief stopte hij in de knapzak van de jongen. De onwetende jongen ging weg en hem werd de dochter van de koning tot vrouw gegeven.” [1]
De berijmde versie geeft nog enige extra bijzonderheden. Hier woont de vader van de vondeling in het Zwarte Woud, de geboorte vindt plaats bij het klooster Hirsau (Hirschau, vandaar misschien de verwijzing naar een Hirschjagd, hertenjacht), de naam van het kind is Henricus, hij valt op door zijn uitzonderlijke schoonheid, het huwelijk met de koningsdochter vindt plaats in Aken[2] .
Wat had Hendrik II te vrezen van Koenraad II, Gisela en hun pasgeboren zoon? We weten dat hij bezwaar had tegen het huwelijk van zijn nichtje Gisela, die haar keizerlijke oom had moeten gehoorzamen omdat haar eigen vader gestorven was. Zijn bezwaren zijn begrijpelijk, als men bedenk dat Koenraad II vocht aan de zijde van zijn aartsvijanden, zijn schoonfamilie, de broers van keizerin Kunigunde. Vreesde Hendrik II dat er een nieuwe concurrerende dynastie gevestigd werd die tegen zijn wil de troon besteeg? Daarbij moet misschien niet eens aan de troon van het Duitse rijk worden gedacht. De twist ging in eerste instantie om de opvolging van de kinderloze koning Rudolf III van Bourgondië. Deze had Hendrik II tot zijn erfgenaam benoemd, maar het waren Koenraad II en Hendrik III die hem opvolgden. Heeft Hendrik II daarom werkelijk het kind van Koenraad en Gisela willen doden? Ook de herinnering aan de strijd om Bourgondië tussen Koenraad II en zijn stiefzoon Hertog Ernst III van Zwaben die daarbij de dood vond, zoals we nog zullen zien, kan een bijdrage aan de geboortelegende hebben geleverd.
Een andere variatie op het thema is de sage uit de Pfalz: “Warum die Kaiser im Dom zu Speyer bestattet wurden”.[3] Volgens dit verhaal, dat opgetekend werd door “Eysengrein[4] nach verschiedenen Scribenten”, zou keizer Koenraad nadat hij de grondsteen voor de dom van Speyer had gelegd, verordonneerd hebben dat een Rooms-koning of keizer die in Duitsland stierf en geen bijzondere plaats voor zijn begrafenis had uitgekozen, voortaan in Speyer ter aarde besteld zou worden. De reden hiervoor was als volgt:
Graaf Leopold van Calw, die een keizerlijke wet had overtreden, verborg zich met zijn zwangere echtgenote in een boerenhut in het Zwarte Woud. Net als in de voorgaande verhalen werd een zoon geboren, de keizer eiste diens hart op en kreeg een hazenhart toegestuurd, nadat hij in een visioen had gezien dat dit kind met zijn dochter zou trouwen. Het kind wordt gevonden door hertog Hermann van Zwaben, die hem verder opvoedt. De jongen krijgt als hij aan het hof van de keizer verblijft een brief mee waarin staat dat hij gedood moet worden, maar in deze versie is het de decaan van de dom van Speyer die de moord verijdelt. De jongen, die Heinrich heet, trouwt met de prinses, wordt door Koenraad als zijn enige zoon en mederegent geadopteerd en de verordening dat alle koningen en keizers voortaan in de dom van Speyer moeten worden, volgt als dank aan de decaan omdat hij het vergieten van onschuldig bloed heeft verhinderd.
Een sprookje van Grimm volgt hetzelfde patroon, zonder overigens de dom van Speyer te vermelden. Deze keer wordt de zoon van Leopold van Calw geboren in een molen in het Zwarte Woud, gevonden door hertog Heinrich van Zwaben en komt de jongen met zijn fatale brief langs het huis van een geleerde waard, die de moord verhindert. Later, als hij koning is, sticht hij het klooster Hirsau op de plaats waar hij geboren is.
Tot slot is er nog de sage over de graaf van Egisheim[5]. Graaf Hugo van Egisheim en zijn zoon Bruno leefden in de Elzas, ten zuiden van Colmar. Op een dag werd door een waarzegster aan Hugo voorspeld dat zijn zoon later zo machtig zou worden, dat hij voor hem in het stof zou moeten buigen. Hij gaf daarom zijn trouwste jager opdracht het kind mee te nemen naar het woud om het daar te doden. Als bewijs moest hij het doorboorde hart van het kind meebrengen. De jager kon dit niet opbrengen en gaf de graaf daarom het hart van een ree met een pijl erin. Jaren later toen hij oud geworden was, biechtte de graaf zijn misdaad op bij een burchtkapelaan. “Hiervan kan de heilige vader in Rome u verlossen”, sprak de priester. Toen de graaf vervolgens in Rome aankwam, ontdekte hij dat de zoon die hij had willen vermoorden door andere mensen was opgevoed, een opleiding tot geestelijke genoten had en intussen Paus geworden was.
Een historisch feit is dat paus Leo IX in 1049 tijdens een bezoek aan Hirsau het gebeente van de heilige Aurelius liet zoeken en aan zijn neef, graaf Adalbert van Calw, opdracht gaf het klooster, dat rond het jaar 1000 in verval was geraakt, weer op te bouwen. Alle varianten van deze legende hebben waarschijnlijk een gemeenschappelijke wortel. Zowel de graven van Calw als de Egisheimers waren verwant met Koenraad II.
Over de geboorteplaats van Hendrik III is niets in de annalen vermeld. Dat hij geboren zou zijn in Oosterbeek bij Arnhem blijkt uit het grafschrift van bisschop Bernold of Bernulfus van Utrecht dat zich nog in het midden van de 17e eeuw bevond in de Utrechtse St. Pieterskerk op een muur die het schip van het koor scheidde. De tekst zelf is echter veel ouder en bevond zich ook op het “schutblad” van een necrologie uit de Pieterskerk van omstreeks 1300, waarin wordt vermeld dat over de opvolging van bisschop Adelbold een strijd was losgebarsten in het Utrechtse kapittel. Koenraad kwam de twist beslechten en hij liet zijn hoogzwangere echtgenote achter in Oosterbeek, waar zij onderdak vond bij de priester Bernold. Nadat zij een kind ter wereld had gebracht, reisde Bernold naar Utrecht om het bericht van de geboorte over te brengen. Hij kwam juist binnen op het moment dat het ruziënde kapittel besloten had de keuze van de bisschop aan de koning over te laten. Als beloning voor dit verheugende bericht werd Bernold door Koenraad tot bisschop benoemd.[6] Dit toeval had zich voorgedaan: er waren langzamerhand zetels vacant geworden.
Door twist verwrongen, smeekte de schare om een bisschop.
Koning Koenraad kwam en bracht daar spoedig vrede.
En hij gaf de schare de keuze uit bisschoppen van het hele rijk,
Hij had zijn vrouw Gisla teruggestuurd omdat zij moest bevallen.
In de villa Oosterbeek bij Bernoldus beviel zij.
Toentertijd had hij haar welverzorgd. Hem gaf de koning het priesterambt
Omdat hij het nieuws overgebracht had dat er een nakomeling was geboren.”
Het grafschrift van bisschop Bernold van Utrecht is vaak naar het rijk der fabelen verwezen. Er is op gewezen dat ook in de Karolingische tijd een zekere Bernold priester te Oosterbeek is geweest, zodat deze mogelijk verward is met Bernold van Utrecht[7]. Terecht argumenteert men dat Bernold pas in 1027 tot bisschop werd gewijd, toen Koenraad II in Italië en Zuid-Duitsland verbleef en dus niet bij diens benoeming aanwezig geweest kan zijn. In de tijd dat zijn zoon Hendrik geboren werd had Koenraad echter wel degelijk redenen om zich in de omgeving van Oosterbeek te bevinden, zoals we nog zullen zien.
Over de herkomst van bisschop Bernold van Utrecht tast men in het duister. De Utrechtse St. Maartenskerk had bezittingen in Oosterbeek, evenals de Benedictijner Hohorstabdij te Leusden, waar de priester Bernold voordat hij bisschop van Utrecht werd, een functie kan hebben bekleed. Het is ook mogelijk dat hij kapelaan is geweest in de eigenkerk van Oosterbeek en dat hij zijn bisschopsbenoeming mede te danken had aan bisschop Meinwerk van Paderborn, een zoon van Adela van Hamaland, die een van de invloedrijkste bisschoppen onder Koenraad II was.[8] Volgens een andere theorie was Bernold afkomstig uit Zuidwest Duitsland. Opvallend is dat zijn naam vermeld staat in het Verbroederingsboek en in het Dodenboek van het klooster St. Gallen. Ook bracht hij boeken mee die verlucht en geschreven waren in de stijl die overeenkwam met de schrijfscholen uit de omgeving van St. Gallen en Reichenau[9], dus in het hertogdom Zwaben. Behoorde hij misschien tot de entourage van hertogin Gisela van Zwaben? Was hij wellicht haar persoonlijke kapelaan en biechtvader? Het was niet ongewoon dat de kapelaan van een (toekomstige) koningin later tot bisschop benoemd werd. Dit gebeurde ook met de kapelaans van de koninginnen Gunhild/Kunigunde en Agnes. Als hij haar vertrouwenspersoon was, wordt het ook minder verbazingwekkend dat hij degene was die het nieuws van de geboorte van een zoon aan Koenraad mocht overbrengen. Bewijzen ontbreken, zoals zo vaak, maar de theorie over de Zuidwestduitse afkomst van Bernold lijkt ons het meest aannemelijk, gezien de Zuidwestduitse afkomst van alle betrokkenen.
[1] Pantheon, MGH. SS., 22, p. 243. [1] Pantheon, MGH. SS., 22, p. 243. Conradus imperator secundus nulli violatori pacis parcebat. Unde comes Lupoldus violator pacis timens occidi ab imperatore, fugit in silvam remotissimam, ibique cum uxore sua solus in tugurio latitabat. Contigit imperatorem ex venatione sua fortuito casu illuc divertisse, et ea nocte peperit comitissa masculum. Quo vagiente, vox de celo ait: O imperator, infans iste erit tibi gener et heres. Hac voce tertia vice audita, surgit imperator diluculo, et inventis duobus suis famulis, dixit; Ite et occidite illum infantem [ et cor ipsius representate michi]. Qui euntes, accipiunt infantem, set miserti ipsius, non occidunt, set super arborem ponunt atque relinquunt. Regi autem representant cor leporis pro corde infantis. Rex autem eos remuneravit. Transiens postea inde dux quidam, invenit et deportat infantem, et adoptat eum in filium. Imperator longe post in domo ducis vedet puerum, et habet suspectum, ne sit ille quem precepit occidi, et assumit eum quasi pro cliente, et precipit, ut ad regnam litteras suas portet, in quibus precipiebat regine, ut visis litteris faciat eum occidi. Puer atutem rem ignorans pergit, et in domo sacerdotis hospitattur, qui ei dormienti litteras subripuit et aperuit; et visa ibi morte pueri, a;ias lietteras scripsit in hunc modum: Cum videris hunc puerum, o regina, statim da ei filiam nostram in uxorem, sicut diligis vitam tuam. Et istas litteras reposuit in marsupium pueri. Puer nescius abiit; et ita filia regis statim tradita est ei“.
[2] Volgens enkele historici had Godfried van Viterbo contacten met Perzen en Saracenen en gaat het tussen 1186 en 1191 geschreven verhaal terug op de “Oosterse Candrahasa-sage” en is het een wijd verbreid sprookjesmotief. Hiermee is echter nog niet verklaard waarom uitgerekend dit sprookje als model werd gebruikt om de situatie in de keizerlijke familie te kenschetsen. Blijkbaar bevatte de legende genoeg elementen die met het leven van Hendrik en zijn familie leken overeen te stemmen: een geboorte op een verborgen plaats, bedreigd worden door de heersende vorst, een adoptie (een verwijzing naar de adoptie van Koenraad door bisschop Burckhard van Worms?), een huwelijk (van Koenraad en Gisela?) dat de weg naar het koningschap vrijmaakt.
[3] “Warum die Kaiser im Dom zu Speyer bestattet wurden“, in: Franck, H., 16.
[4] Wilhelm Eysengrein, Chronologicarium … urbis Spirae, 1564.
[5] “Die Grafen von Egisheim” Kratzer, H., Rheinsagen. Vom Ursprung bis zur Mündung, p.48.
[6] Praefuit hac sorte: sunt sede vacante subortae
Lites distortae, pro praesule flente cohorte
Venit rex Conrat, ut pacem mox ibi ponat,
Datque cohors tota regi de praesule vota,
Retro dimissa partura conjuge gisla,
Oosterbeek villa prope Bernoldum parit illa,
Tunc ibi curatum, cui rex dat pontificatum.
Ob nova portata, quod erat proles nata.
[7] De auteur van het necrologium, Johannes de Beka zou zich hebben gebaseerd op een oorkonde uit 834 waarin hij de naam van een priester Bernoldus was tegen gekomen. Die oorkonde was uitgevaardigd ‘in villa Ostarbac’. Van Winter, J.M., 13.
[8] Van Winter, J.M., 16.
[9] Volgens de Leidse codicoloog Lieftinck; zie: Van Winter, J.M, 13. N. 4.
Recent comments