Maastricht 1039; Hendrik III begint zijn regering in de St. Servaaskerk
Hendrik III woonde op 12 augustus (Maria ten Hemelopneming) 1039 de wijding van de Maastrichtse St. Servaaskerk bij. Op die dag vond er een translatie plaats door de bisschoppen Nithardus van Luik en Gerardus van Kamerijk, van de lichamen van de Heilige Monulfus en Gondulfus. Gondulfus was overigens een voorouder van Hendrik III. Hij was de grootvader van de heilige Arnulf van Metz, van wie een aantal vooraanstaande graven van Metz afstamden.
Sinds die translatie rustten deze heiligen in de crypte van de Servaaskerk achter het altaar van Petrus en Paulus in een zandstenen sarcofaag die op 22 april 1623 werd geopend. Bij de inspectie bleek dat, zoals de traditie al wilde, de resten van Monulfus en Gondulfus in de sarcofaag geborgen waren bij de overblijfselen van de bisschoppen Valentinus en Candidus, en bij relieken van Sint Servatius. Alles leek er op te wijzen dat sinds 1039 die relikwieën onberoerd in de sarcofaag lagen.”[1] In de Servatiuslegende wordt verhaald hoe er bij de translatie door bisschop Vulvegisus en Hubertus op bevel van Karel de Grote op de borst van het lichaam van de heilige een gouden kruis werd aangetroffen. De Maastrichtse schrijver van de Gesta vertelt dat na de verwijdering van de linnen en zijden wikkels het gouden kruisje van het lichaam werd genomen. Het is niet uitgesloten dat er al voor het midden van de elfde eeuw een gouden kruisje als grafvondst in het graf van Servatius, in of bij de Servaaskerk tevoorschijn was gekomen. Ook werd een borstkruis van Servatius, vermoedelijk in 1039, door Hendrik III geschonken aan het Maastrichtse kapittel. Het zou gemaakt zijn in Trier in de 10e eeuw in de werkplaats van bisschop Ekbert.[2]
De volgende dag, 13 augustus 1039, ‘te midden van de vorsten die bijeen gekomen waren’ vroeg hij om een boek met wonderen van St. Servaas. Het kapittel schonk aan Hendrik III een exemplaar van het Liber Miraculorum sancti Servatii (het boek met de wonderen van sint Servatius). Jocundus zegt dat ook hijzelf dit boek van het kapittel had ontvangen waaruit hij een vijftal keren rechtstreeks citeert; verder zou Karel de Grote er indertijd een hebben gekregen. Nadat hij enige tijd in het boek gelezen had, hield hij een toespraak voor de vorsten, waarin hij vertelde van zijn persoonlijke ervaringen met deze heilige. Toen hij eens door zijn vader van het hof verstoten was en ziek van smart in bed lag, verscheen St. Servaas hem in een visioen en sprak:
‘Heb vertrouwen mijn zoon, heb vertrouwen. Vrees niet, wanhoop niet. Geen mens, ook jouw vader niet, kan alleen een keizerrijk oprichten; dat doet Hij, in wiens hand alle vorsten zijn, die jou allang heeft uitverkoren en je vergunt niet lang hierna op de troon van ja vader te zitten.’ Dit zei hij en ik [Hendrik III] weende overvloedig om zijn woorden van grote, duurzame troost. Ik vroeg hem, omdat ik geheel in beweging gebracht was, waar hij zou zijn als ik hem wilde bezoeken, en hij openbaarde naam en plaats van zijn woning. Zo grote vroomheid, zo grote welwillendheid kende ik niet van andere heiligen, niet uit geschriften en niet uit parabelen.’[3]
[1] Koldeweij, A.M., 24.
[2] Ibidem, 174 e.v.
[3] “Confortare, inquit, fili mi, confortare, noli timere, noli desolari. Non est hominis nec patris tui, quem voluerit in solio erigere imperii; est autem illius, in cuius manu sunt omnia iura regnorum, qui profecto iam dudum elegit te, et in throno paterno nec longius hinc te residere concessit”. Dixerat, et verbis nimiae mansuetudinis consolatus est me lacrimantem habundantissime. Post hec, quia sollicite quis esset ego querere volui, et nomen et locum habitationis suae ostendit. Tantae ergo pietatis, tantae benignitatis aliquem sanctorum esse, nec in scriptis nec in parabolis agnovi. »

Sinds die translatie rustten deze heiligen in de crypte van de Servaaskerk achter het altaar van Petrus en Paulus in een zandstenen sarcofaag die op 22 april 1623 werd geopend. Bij de inspectie bleek dat, zoals de traditie al wilde, de resten van Monulfus en Gondulfus in de sarcofaag geborgen waren bij de overblijfselen van de bisschoppen Valentinus en Candidus, en bij relieken van Sint Servatius. Alles leek er op te wijzen dat sinds 1039 die relikwieën onberoerd in de sarcofaag lagen.”[1] In de Servatiuslegende wordt verhaald hoe er bij de translatie door bisschop Vulvegisus en Hubertus op bevel van Karel de Grote op de borst van het lichaam van de heilige een gouden kruis werd aangetroffen. De Maastrichtse schrijver van de Gesta vertelt dat na de verwijdering van de linnen en zijden wikkels het gouden kruisje van het lichaam werd genomen. Het is niet uitgesloten dat er al voor het midden van de elfde eeuw een gouden kruisje als grafvondst in het graf van Servatius, in of bij de Servaaskerk tevoorschijn was gekomen. Ook werd een borstkruis van Servatius, vermoedelijk in 1039, door Hendrik III geschonken aan het Maastrichtse kapittel. Het zou gemaakt zijn in Trier in de 10e eeuw in de werkplaats van bisschop Ekbert.[2]
+1