Een keizerkroning uit de eerste helft van de elfde eeuw werd beschreven in een Hebreeuws geschiedenisboek van Josippon:
- Naar Romeins gebruik leidt de raad van Rome de te kronende uit het paleis van zijn God. Voor hem uit lopen trommelaars en alle soorten muzikanten met klinkend spel tot aan 1000 ellen [ bij de Pons Neronianus] vanaf het huis van het koninkrijk [St. Pieter] dat aan de ene kant van de stad aan het water aan het einde van de eigenlijke stad grenst. Daar is een klein stadsdeel [de Leostad voorbij de Tiber] dat 100.000 ruiters in zich opnemen kan.
- Zodra men daar aankomt, treden de zeven door de keizer gekroonde en door de raad [Romeinse senaat] gekozen koningen [boden?] naar de keizer toe. Twee van hen brengen hem een wit paard, dat de ene van rechts, de andere van links aan toom en teugel leidt. Twee anderen brengen hem een geheel vergulde ladder met zeven treden, waar hij op stapt om het paard te bestijgen, en wel zo dat hun rug naar het paard en hun gezicht naar de ruiter toegekeerd is.Twee anderen stellen zich dan, zodra hij zit, aan beide kanten van het paard op. Op hen steunt de ruiter met zijn hand en met zijn voet.
- Zo trekt hij naar het Huis van het koninkrijk [de St. Pieter] waarbij de beide eerste koningen het paard stap voor stap leiden. De zevende echter schrijdt te voet met getrokken zwaard vooraan, met voor hem nog 1000 krijgsmannen [paleiscohorten] met ontblote zwaarden en zwijgend, de zangers verstommen ook. De voorop schrijdende koning echter roept met luide stem: “Ziet de man die de Wereldgod bestemt heeft de bewoners van zijn land te beheersen en met keizerlijke volmacht de wereld te regeren; Eert hem en sta op, want door Gods genade bezit hij heerschappij en waardigheid. De God, die zijn hartenwens vervuld heeft door hem tot waardigheid van keizer te verheffen, die leidde zijn wil om de koningen van het land en zijn bewoners op de juiste wijze te regeren, hen naar recht en gerechtigheid te berechten, onrecht en onbillijkheid uit de wereld te verdelgen, krachtens zijn macht de slechten en misdadigers te bestraffen en te vernietigen, opdat zij niet in het land rondtrekken, de rijken [landen] en de mensen te verderven en afpersing en roof uit te oefenen. Daar Gods rijk boven alle rijken verheven is, zodat geen sterveling zijn grootheid kan meten, moge hij in zijn genade keizerschap en koningschap bekrachtigen, behouden, bevestigen en steunen, moge hij onze vorst die heden de keizer- en koningskroon ontvangen zal, tot roem en eer verheffen en hem een rustig leven schenken. Zegt daarop Amen!” Nadat de koning zo gesproken heeft, zeggen zijn zes ambtgenoten eerst amen, waarop het hele volk amen zegt.
- Dan werpen de beiden die ter zijde van de te kronen keizer rijden, zevenmaal bloemetjes van goud onder het arme volk, dat verder achter de stoet loopt omniet onder de paardenhoeven te komen, Het volk zoekt de bloemetjes van goud op, zoveel als ieder maar bereiken kan. De ruiters, die de bloemetjes van goud natuurlijk met volle kracht werpen, zijn door de raad van Rome [Senaat] gekozen, waarvan de rechtsrijdende na de koning plaatsvervanger is van de keizer, de linksrijdende legeraanvoerder van het hele roomse rijk wordt, die de militaire ambtsdragers moet bevelen, wanneer de Romeinen een leger uit moeten zenden.
- De met ontbloot zwaard voorop schrijdende koning roept deze woorden zeven maal, zodra de te kronende aan de poort van het gebied [de muur van de Leo-stad] aangekomen is, waarbinnen het huis van het koningschap [de St.Pieter] is. Daar wordt de te kronende van het paard op de schouders van de zeven koningen geheven, die hem op een troon die van gedroogde aarde gemaakt is, neerzetten. Waarna zij hem een dunne houten scepter aanreiken. Hierop treden de raden van Rome met hun privilegeboek naar voren en vragen hem te bezweren dat hij na het verwerven van zijn waardigheid geen van hun geprivilegieerde rechten breken op opheffen zal.De heerser neemt dan het boek, kust de afzonderlijke bladzijden, legt het op zijn hoofd en zweert dat hij de hele inhoud bekrachtigt en voegt nieuwe privileges aan de oude toe naar het goeddunken van de raad van Rome.
- Dan verwaardigt hij zich naar het afgesloten district te gaan, waar op de torens de poortwachters staan, die eveneens van hem een bekrachtiging onder ede van de rechten van het district en van de poortwachters verlangen. Zodra hij die gegeven heeft, heffen de poortwachters zijn vaandel en zijn banier en zetten hen op de dichtst bij de poort zijnde toren en openen de poort, waardoor de te kronende de binnenplaats van het district betreedt.
- Alle daarheen beroepen koningen en raadsheren van Rome spreken daarop: “Moge de koning aller koningen deze keizer naar zijn raad en wil in de hemel billijken zoals wij hem hier op aarde kronen”. Alle koningen en raadsheren gaan dan te voet vooraan in het huis van het koningschap [St. Pieter] waar de keizertroon staat. Er zijn daar twee tronen. De ene is de keizertroon die er altijd staat, de andere wordt slechts af en toe als zetel voor de te kronende voor de kroning opgesteld. Op deze laatste neemt dus de te kronende plaats in het huis van het koningschap.
- De koningen treden naar voren – het zijn er nooit minder dan zeven – kussen zijn voeten en de vloer voor hem. Dan komen zeven van de koninklijke [geestelijke] leiders van zijn rijk – onder elk van hen staan 24 leiders van de tweede rang, onder ieder van dezen staan 120 leiders van de derde rang van wie elk weer boven 500 leiders van de vierde rang staan – met hun opperleider die alles beheerst en de leider van Rome is, die na de heerschappij van de vader van alle leiders in de wereld is: in Rome heet hij vader, in Griekenland patroon [de Paus].
- De patroon geeft de keizerkandidaat een gedeeltelijk met goud overtrokken houten scepter in de rechterhand, aan de punt waarvan zich een zakje met aarde bevindt, en steekt hem een ring van mensenbot aan de pink. In de linkerhand geeft hij hem een gouden beker waarop zich de rijksappel als symbool van de ronde aarde bevindt. Hierna zet hij hem de koningskroon op het hoofd en maakt hem tot koning, waarop de koning zijn handen kust. De patroon zet dan de keizerkroon op zijn hoofd na de koningskroon en roept met luide stem: “Leve onze heer, de keizer, tot vrede, tot zegen, tot grootheid over alle koningen der aarde”, waarop het hele aanwezige volk eensgezind “Amen” zegt.
- Nadat de patroon hem op de mond heeft gekust [de vredeskus] gaat hij aan zijn rechterzijde zitten, waarna de genoemde plaatsvervanger van de keizer aan zijn linkerzijde plaatsneemt en de genoemde legeraanvoerder met ontbloot zwaard voor hem staat. De keizer verkondigt dan een algemene amnestie voor de gevangenen wegens schulden, door de schulden uit zijn schatten te dekken.
- Op deze dag gaat de keizer naar het huis van de patroons [Lateranen] en gebruikt daar met de zeven koningen en de zeven koninklijke leiders die bij de kroning waren het ochtend- en avondmaal.
- In de avond gaat hij naar het koningspaleis, waar hij overnacht. Daar spreekt hij recht en oordeelt krachtens zijn waardigheid. Hij verlaat het paleis slechts eenmaal in de maand overdag, totdat hij de Nieuwe Maan heeft gezien.

De Rijkskroon, ontworpen voor Koenraad II, de vader van Hendrik III (Bron: Photobucket)
Recent comments