Utrecht 1039; Hendrik III woont de begrafenis van zijn vader bij

In het koor van de Utrechtse dom bevindt zich nog een van de keizersteentjes met de tekst Conradi Secundi Imperator (foto: Suzanne Menninga)
Eind februari 1039 in de Vastentijd arriveerden Hendrik en zijn ouders in de palts te Nijmegen. Met Koenraad ging het niet goed. Hij was uit Italië “teruggekeerd met jicht in de voeten en alle gewrichten”.[1] Onbehandelde jicht kon ernstige complicaties met zich meebrengen in de vorm van long- maag- en hartaandoeningen. Mogelijk leed Koenraad ook nog aan de gevolgen van de “pest”-epidemie. De keizer bleef tot 26 mei in Nijmegen, hopend op verbetering van zijn kwaal. Daarna begaf hij zich naar de Friese stad Utrecht voor de Pinksterviering. Op Eerste Pinksterdag (3 juni) terwijl hij zich met zijn echtgenote en zoon in vol ornaat in een plechtige processie naar het diner begaf, kreeg hij weer een hevige aanval, maar hij verborg zijn pijnen om het feest niet te bederven.[2]
“De volgende dag, toen de dodelijke ziekte hevig aanhield, beval hij de keizerin en de koning uit zijn slaapkamer naar het ontbijt te gaan. Intussen voelde de keizer zijn einde naderen; zoals hij in het gezonde leven, in actie, altijd standvastig en sterk was geweest, zo bleef hij op zijn sterfbed in zijn zwakte getrouw en riep de bisschoppen het lichaam en bloed van de Heer en het Heilige Kruis met de relieken van de heiligen te brengen. En rechtop zittend deed hij onder tranen, zeer verzwakt, een zuivere biecht en een intens gebed, ontving devoot de heilige communie en vergeving van zonden, zei de keizerin en zijn zoon koning Hendrik vaarwel na hen betrouwbare aanwijzingen te hebben gegeven en vertrok uit dit leven.”[3]
Koenraad II stierf op 4 juni 1039, in het zesde uur van de dag. [4] Hendrik nam de zorg voor de begrafenis op zich. Hij was naar eigen zeggen zeer ongerust over het zielenheil van zijn hebzuchtige vader[5] en vastbesloten er het beste van te maken door alle rituelen nauwgezet in acht te nemen. Het gebalsemde lichaam van Koenraad II werd naar Speyer vervoerd om daar in de door hemzelf gestichte Maria-kerk te worden bijgezet. Zijn hart en ingewanden begroef men in Utrechtse St. Maartenskerk. Deze kerk zou door de inspanningen van bisschop Bernold het middelpunt worden van een kruis van kerken. Als dank hiervoor ontving hij onder meer een landgoed in Groningen en gravenrechten in Drente.
Op de route van Utrecht naar Speyer werd de overledene in alle kerken opgebaard. Hendrik III gedroeg zich daarbij opvallend eerbiedig, zoals een vazal tegenover zijn heer. Hij vond het na alle ruzies met zijn voorganger belangrijk om nu vooral eenheid te demonstreren.
“Bij alle kerken waar hij bij de begrafenis en uitvaart binnenging, droeg Hendrik het lichaam van zijn vader op zijn schouders; en niet alleen deed hij dit als zoon uit liefde voor zijn vader, maar zoals een slaaf aan zijn meester in heilige vrees verschuldigd is: dit vertoonde de koning met zijn hele hart voor zijn gestorven vader, met de grootste toewijding.”[6]
Hendrik II had in 1002 op dezelfde wijze gehandeld bij de begrafenis van Otto III, wiens opvolger hij wilde worden. “Toen het lichaam van Otto III op de terugreis van Rome Beieren bereikte, ging Hendrik de lijkstoet tegemoet, om vervolgens het lichaam van de overleden keizer zelf op zijn schouders naar Neuburg te dragen en de ingewanden te Augsburg te laten begraven. Tegelijkertijd nam Hendrik de koninklijke insignia, die met het lijk vervoerd werden, in beslag, op de zo belangrijke heilige lans na, die aartsbisschop Heribert van Keulen vooruit had gezonden.” [7]
De begrafenisstoet van Koenraad II trok langs de plaatsen Keulen, Andernach, Mainz en Worms, totdat in de door Koenraad gestichte Mariakerk te Speyer op 12 juli, zijn geboortedag, de bijzetting plaatsvond.[8]
De inscriptie die werd aangetroffen in het graf van de keizer vermeldt nadrukkelijk dat hij begraven werd “in aanwezigheid van zijn zoon”[9]. Vanzelfsprekend was dit dus niet.
In de Dom van Utrecht zijn nog steeds de tegeltjes te zien met de namen van de overleden keizers Koenraad II en Hendrik V
[1] Bresslau, Jbb II, 234, Analista Saxo 1039 : Imperator purificationem sancte Marie altstide egit, deinde conpendioso itinere peragrata Saxonia orientali, rebusque pacificatis, Niumagon tetendit, ibique tempus qadragesime et sanctum pascha et ascensionem Domini, podagra laborando, consedit. De chronist van Milaan schreef (enkele tientallen jaren later) dat Koenraad met een ziekte in de voeten en zwakheid in alle gewrichten uit Italië teruggekeerd was : eger pedibus et cunctis debilis artubus. Erkens,F.R., 193. Liber gestorum recentium II 14, MGH SS rer. Germ. 67, 160.
[2] Wipo, Gesta Chuonradi, c. 39. Ubi dum sacratissimam sollemnitatem venerando magnifice cum filio et imperatrice coronatus precederet, ad mensam mediocri dolore correptus est ; tamen, ne tantai diei laetitiam perturbaret, dolorem dissimulavit.
[3] Wipo, Gesta Chuonradi, c. 39. Sequenti die cum morbus letalis vehementer insisteret, imperatricem cum filio rege ad prandium exie iubet de cubicolo. Interea imperator finem sibi imminere sentiens, sicut in vita sanus, in actu semper constans et strenuus fuit, ita inextremis nihil segnioris fidei permansit et vocatis episcopis corpus et sanginem Domini et crucem sanctam cum reliquiis sanctorum apportari fecerat Et erigens se cum lacrimis valde afectuosis in confessione pura et oratione intenta, sanctorum communionem ac pecatorum remissionem devotissime accipiens, imperatrici et filio regi Heinrico post fida monita valedicens, ex hac vita migravit
[4] Steindorff I, 46. Wipo, Gesta Chuonradi, c. 39 c. 39. II. Non. Iunii, feria II, indictione VII
[5] Raoul Glaber,Historiarum, L. V, c. V, 25.Hendrik III op een kerkelijke bijeenkomst over de uitroeiing van de Simonie : ‘Nam et pater meus, de cujus animae periculo valde pertim[esco eandem] damnabilem avariciam in vita nimis excercuit ».
[6] Wipo, Gesta Chuonradi,.c. 39 : « … filius caesaris Heinricus rex ad omnes introitus ecclesiarum et ad extremum ad sepultarum humeros suos corpori patris ultra modum humili devotione supposuit et non solum, quod filius patri in caritate perfecta, sed quod servus domino in timore sancto debet, hoc totum rex patri defuncto studiosissime exhibuit.
[7] Hageman, M., 107; Thietmar van Merseburg, Chronicon.
[8] Volgens handschrift 2 van Wipo’s Gesta Chuonradi vond de begrafenis 38 dagen na het overlijden plaats. Steindorff I, 50, n. 4.
[9] “Sepultus est v. non iulii presente filio suo ». „Grabbeigaben Kaiser Konrads II.“ in: Das Reich der Salier 1024-1125. Karalog zur Ausstellug des Landes Rheinland-Pfalz. P. 289 .
Recent comments