Goslar 1050; de doop van Hendrik IV moet worden uitgesteld
In het zevende jaar van zijn huwelijk met Agnes van Poitou werd Hendrik III eindelijk vader van een zoon. Drie dochters waren de lang verwachtte troonopvolger al voorgegaan en zolang de opvolging niet vastgesteld was bleef de vrede in het rijk bedreigd. Op 11 november 1050 kwam Hendrik IV in Goslar ter wereld. Zijn dolgelukkige ouders wilden hem met Kerstmis laten dopen, waarbij de edelen van het rijk ook meteen een eed van trouw zouden moeten afleggen. Helaas ging het feest niet door. Abt Hugo van Cluny, die als peetvader zou fungeren, gaf te kennen dat hij onmogelijk in de winter zo snel kon komen. Hendrik III antwoordde hem met de volgende brief.
‘H(endrik) verheven keizer van de Romeinen bij de gratie Gods aan H(ugo) eerbiedwaardige abt van de Cluniacenzers dank en heil.
Inderdaad zijn wij verheugd over de geziene heiligheid van je geschriften die wij met zo groot genot hebben ontvangen. Met welke gloeiende ijver je vasthoudt aan goddelijke contemplatie hebben we gemerkt. Omdat je in deze hebt gezegd al te zeer uitgelaten te zijn over onze teruggekeerde gezondheid, om je instemming peetvader te zijn van onze zoon uit de Hemel, antwoorden wij met dank, dank vanuit het diepst van ons hart bewijzen wij. Altijd weer bevelen wij met minder moeite dan wij nederig vragen, dat jouw gebed niet zal ophouden bij onze barmhartige Heer, voor het staatsbelang, voor het welzijn van ons en de onzen, dat door de voor ons verzamelde goddelijke genade kerkelijke welvaart en voor alle volken rust en vrede kan bestaan. Want wie, die verstandig is, zou het gebed van jou en de jouwen niet wensen? En wie zou niet trachten vast te houden aan een onlosmakelijke band met de zorg van hen wier gebed zoveel reiner is doordat ze teruggetrokken zijn van wereldlijke daden, zoveel waardiger naarmate zij het goddelijke aangezicht nader staan? Omdat je ontkend hebt, wegens de lengte van de reis, te kunnen komen zoals wij bevalen, hoewel we je komst dankbaar zouden aannemen, we schenken je vergiffenis, opdat je met Pasen bij ons in Keulen moge komen, om de jongen waarover je zo blij bent uit het heilige doopvont te tillen en als peetvader je zegen te geven en opdat wij tezamen op het Paasfeest van het zuurdeeg van de zonde gereinigd plechtig de glorie van de hemelspijs mogen genieten.’[1]

Recent comments