Luik 1106; de laatste droom van de keizer

 

De auteur van de Vita Heinrici geeft een tamelijk gedetailleerd portret van de keizer. Hoewel het zijn bedoeling is om een positief beeld van de overledene te presenteren, is het niet slechts een vlakke opsomming van kardinale deugden:

“De persoonlijkheid van de keizer bleek enerzijds uit de manier waarop hij zijn wapens droeg, met waardigheid, anderzijds hoe hij een toonbeeld van nederigheid bood. Evenzeer als hij subtiel van geest was, zozeer was hij ook een groot raadgever, en, terwijl de mening van de vorsten, hetzij in kwesties van rechtspraak, of in het behandelen van de belangen van het rijk nog aarzelend was, ontwarde hij zelf de knoop en doceerde wat billijker, wat nuttiger was alsof hij uit een vat met wijsheid putte. Hij luisterde naar de woorden van anderen, zelf sprak hij weinig, hij barstte niet eerst met zijn mening los, maar wachtte op die van de ander. Op wiens gezicht hij de scherpte van zijn ogen fixeerde, diens zielenroerselen doorzag hij en zag als met de ogen van een lynx of de ander in zijn hart haat of liefde voor hem droeg. In de menigte leek hij door zijn lengte groter dan de anderen en toonde  hij eerder een vreesaanjagend gelaat dan een zekere bekoorlijkheid, waardoor hij zijn blik op iemand kon vestigen als een bliksem die inslaat. Maar onder zijn huisgenoten en voor een klein publiek verscheen hij met een kalm gelaat en even groot van gestalte. Niet alleen de machtigen in het rijk vreesden hem, maar ook de koningen in oost en west beefden voor zijn reputatie.[1]

De biograaf benadrukt de voor de buitenwereld vreesaanjagende verschijning van de keizer, die vooral tot uiting kwam in zijn doordringende blik.  Wat verder opvalt in de beschrijving is de subtilis ingenii, door F. J. Schmale niet erg ter zake met hohe Geisteskraft vertaald. Letterlijk vertaald betekend het “fijne en tere aanleg” en juist door deze eigenschap zou Hendrik IV een goede raadgever geweest zijn. Het begrip subtilitas  behoort niet tot de stereotype deugden van een elfde-eeuwse vorst. In de verhandelingen over geneeskunde door Hildegard van Bingen (1098-1179) wordt dit woord meermaals gebruikt in de betekenis van intuïtie, het vermogen tot waarneming van mogelijkheden en invloeden die voor het blote oog onzichtbaar zijn.

Hendrik IV beschikte niet over de eloquentia, de welsprekendheid die men toeschreef aan zijn vader Hendrik III, die graag openbare toespraken en preken hield. Met zijn vader lijkt Hendrik IV weinig meer gemeen te hebben gehad dan de “onmatigheid in vleselijke begeerten”. De vriendelijke, vrijmoedige Hendrik III was door Rodulfus Glaber als volgt getypeerd: “Hij was door vriendelijkheid zeer bevallig, door onbekrompenheid transparant, zeer begaafd met de gratie van de nederigheid en een zekere uitbundigheid was geen teken van dwaasheid… Maar, hoe beschamend! Eén ding in hem was zeer te berispen, dat hij berucht was om zijn onmatigheid in vleselijke begeerten”[2]

De Vita-schrijver benadrukt enige tegenstellingen in de persoonlijkheid van Hendrik IV. De wapens droeg hij met waardigheid, maar verder was hij een toonbeeld van nederigheid. In de menigte leek hij vreesaanjagend, maar in klein gezelschap kalm. Hoewel “teer”van aanleg, was hij een goed raadgever.

Misschien had hij de karaktertrekken van zijn moeder geërfd. Ook keizerin Agnes had blijk gegeven van onevenwichtigheid. Enerzijds toonde zij zich onzeker en toegefelijk, anderzijds opvallend eigenwijs.

Hij was een man van weinig woorden met een priemende blik en dit is een individueel kenmerk, dat bijvoorbeeld sterk verschilt van de notoire vrolijkheid (hilaritas) en de niet weg te poetsen glimlach van de Staufische keizers. Deze sombere, gesloten trek wordt in meerdere bronnen vermeld: “… toen hij op een dag na het middagmaal ongewoon vrolijk was…” “de koning zat er zwijgend naast alsof hij van zijn zinnen beroofd was en liet Anno het woord voeren”… “Nu opende, na lange tijd gezwegen te hebben, de mooie keizer zijn mooie lippen”[3]

Een gezellige disgenoot was hij dan ook niet.  Bij het verzoeningsmaal met Gregorius VII zou Hendrik IV “niet vrolijk” geweest zijn, “geen mooie woorden” gesproken hebben, “met starende ogen peinzend over het eten gebogen” hebben gezeten en “met zijn nagel op de tafel geschreven hebben”.[4]

                Zijn gevoelens toonde hij niet openlijk, zelfs niet bij het rampzalige nieuws over de afvalligheid van zijn zoon Koenraad, “hoezeer hij ook innerlijk pijn leed, hij bewaarde zijn waardige ernst”, “de koning die een grote verberger (dissimulator) was, toonde de grote pijn die hij in zijn hart had niet met gezicht of woorden”, “hij was een verberger, alsof hij niets vreesde”. “Wie zou kunnen weten, behalve God alleen, wat hij doorgemaakt heeft”[5].

 Van grootspraak hield hij niet: “Hoezeer hij ook dank wist uit te spreken, met lof was hij terughoudend.” In de brieven die hij aan geliefde personen (zijn moeder en zijn peetvader) schreef of dicteerde uitte hij zich wat vrijmoediger. Hier een Nieuwjaarsgroet aan zijn moeder die in Rome verbleef, waarschijnlijk geschreven te Goslar, eind 1075[6], waarin hij haar op de hoogte brengt van de laatste politieke ontwikkelingen. Hij meent dat het in het belang van de gezondheid van zijn moeder is haar zorgen weg te nemen:

“Voor Moeder heil en zegen (van) H(endrik), koning bij de gratie Gods, uit mijn hele hart liefde, alles wat goed is en meer. Omdat het gezond is dat je van al onze successen op de hoogte bent willen we je, liefste moeder, meedelen wat de hofdag en de vergadering schriftelijk vastgelegd hebben”.[7]

Toen hij in 1106 door zijn zoon tot abdicatie gedwongen was, schreef hij aan zijn peetvader abt Hugo van Cluny:

                “Ach was het ons maar vergund jouw gezicht als een engel in levenden lijve te zien, om aan jouw knieën liggend ons hoofd, dat jij uit het doopvond geheven hebt, vertrouwelijk in je vaderlijke schoot te kunnen leggen en daar onze zonden bewenend de menigte van onze benarde omstandigheden op de rij af te kunnen vertellen”.[8]

De arengas (inleidende woorden) van zijn oorkonden kenmerkten zich vaak door een hoffelijke, bescheiden toon. “Het koningschap is aardig geworden”, constateerde een historicus.

Veel aandacht wordt besteed aan Hendriks zorg voor de armen, die volgens de biograaf vooral een kwestie van gevoel was. “… de armen die hij zeer liefhad en die hij niet van de andere mensen kon afzonderen. Niet omdat hij er eer mee wilde behalen, maar vanwege de geschiktheid van zijn aanleg…”[9] De keizer was van nature geschikt om te zorgen. Zwijgzaam, argwanend, vreesaanjagend tegenover buitenstaanders, maar ook sensibel, bezorgd en zorgzaam in eigen kring, dat is het beeld dat zijn biograaf in grote lijnen maar trefzeker van het overwegend introverte karakter van Hendrik IV schetst.

In het verdedigingsgeschrift van Petrus Crassus is Hendrik IV ondanks zijn strenge imago toch ook een vriendelijke koning, een “rex amabilis” en er wordt de hoop uitgesproken dat hij Rome zal overwinnen:

“Heinricus rex amabilis/Qui Romae victor existis »

Bij Petrus Crassus heeft Hendrik IV drie strenge en vier vriendelijke deugden. De keizer is enerzijds “iustum”(rechtvaardig, rechtmatig), “fortem” (sterk, moedig) en “severum” (streng, ernstig), maar anderzijds ook “magnanimum”(groot van ziel, fier), “largum” (royaal, kwistig), “beneficum”(weldoend, vriendelijk) en “liberalem” (vrijzinnig, onbekrompen).Deze deugden lijken niet toevallig gekozen. We vinden ze in vrijwel dezelfde bewoordingen terug bij de tegenstander Wido van Ferrara, wanneer hij de keizer bekritiseert omdat deze in zijn jeugd nog niet genoeg blijk gegeven had van de deugden die een koning pasten, namelijk “constantem, fortem, severum, magnanimum, beneficum, liberalem”. [10]

Het is de deugdencatalogus van Hendrik IV. Zijn vader had (volgens hofkapelaan Wipo) andere deugden bezeten: schoonheid, adel, vroomheid, vredelievendheid, nederigheid en zelfvertrouwen in de oorlog. Dit waren zijn meest in het oog springende goede eigenschappen. Bij Hendrik IV waren dat dus standvastigheid (of rechtmatigheid), moed en strengheid, gecombineerd met grootheid van ziel, royaalheid en een onbekrompen geest.

Volgens William of Malmesbury[11] was Hendrik IV “niet ongeletterd en niet lui”, maar werd hij getroffen door een ongelukkig lot. De keizer was “vlot van tong, scherp van geest, zeer geleerd door te lezen, onvermoeibaar in het geven van aalmoezen, met goede eigenschappen van lichaam en geest. Hij trok met de wapens 62 keer ten strijde, maar slaagde er niet in orde op zaken te stellen”.

 Ekkehard van Aura beschreef Hendrik IV als:“een sterke, strijdlustige man; hij had de gewoonte zich met elke persoon, met elke leeftijd, met elke zaak op een passende manier bezig te houden en hij kon het nauwelijks verdragen iets niet te weten. Naar de gewoonte van zijn vader wilde hij dat geestelijken en grote geleerden bij hem bijeenkwamen, die hij vleiend aan de praat houdend, nu eens psalmen, dan weer geschriften besprekend of lezend en over vrije kunsten ondervragend, in familiekring bij zich bezighield. Door vele getuigen kunnen wij bevestigen, dat niemand in onze tijd door geboorte, aanleg, kracht en moed, lichaamsbouw en elegantie van het hele lichaam geschikter was voor het keizerschap dan hij.”[12]

Bisschop Gerhard II van Speyer (1105-1107), tevens abt van de kloosters Hirsau en Lorsch werd als geleerd en trots, ook als grof en heerszuchtig beschreven. Hij liep over naar Hendrik V en hield in 1105 als bisschop van Speyer de gevangengenomen keizer Hendrik IV onder streng regime in hechtenis[13]. Hendrik IV, die vrijwel al zijn bezit aan de kerk van Speyer had geschonken, vroeg hem tevergeefs om een stukje land in leen, waar hij als ambteloos burger zijn verdere leven zou kunnen doorbrengen. “Geef mij een prebende bij Speyer, opdat ik mijn Vrouwe, de Moeder Gods kan dienen, aan wie ik altijd devoot geweest ben. Want ik ben bekend met de Letteren en ik kan nog steeds van dienst zijn in het koor.[14] Het bescheiden verzoek werd niet gehonoreerd: “Met het oog op de Moeder van de Heer kan ik niet doen wet je vraagt”, gaf de bisschop hem te verstaan. De keizer zuchtte en zei wenend tot de omstanders: ‘Ontfermt u, ontfermt u mijner gij mijn vrienden, want Gods hand heeft mij getroffen”[15] Ondanks het legendarisch karakter is de anekdote gebaseerd op authentieke elementen van Hendriks persoonlijke vroomheid; zijn liefde voor het psalmen zingen, zijn devotie tot de Maagd Maria en zijn verbondenheid met de kerk van Speyer.[16]

Terwijl Hendrik IV in 1106, nadat hij de koninklijke insignes had moeten afstaan in Luik zat te wachten op hulp van buitenaf, gingen zijn gedachten uit naar Hendrik V, de zoon die hem verraden had. Hij slaagde erin enkele versregels te dichten. Zoals uit de tekst blijkt was hij toen eigenlijk al niet zo erg boos meer op zijn jongste zoon. De afgezette keizer heeft weliswaar medelijden met zichzelf, maar de bezorgdheid om de toekomst van zijn nakomeling overheerst:

Versus Heinrici imperatoris ad filium suum[17]

Sum quoniam pauper, non est me vilior alter.

Heu mihi ! quid faciam ? quo me vertor ? cui credam ?

Suevulus et Saxo concedunt nunc tibi falso,

Perfida gens vere, per quam multi periere.

Quod si depellor, et tu pelleris, et error

Peior erit primo. Mi fili dulce, caveto !

[Vers van keizer Hendrik aan zijn zoon

Ik ben nu eenmaal een pauper, niemand is minder waard dan ik.

Wee mij! Wat zal ik doen? Waarheen wend ik mij? Wie kan ik geloven?

De Zwaab en de Saks vergezellen jou nu huichelachtig,

Trouweloos volk waarlijk, door wie velen omgekomen zijn.

Zoals ik verdreven ben, zul jij ook verjaagd worden.

En de verwarring zal erger zijn dan voorheen.

Mijn lieve zoon, wees op je hoede!]

Op 29 juli 1106, tien dagen voor zijn dood, had Hendrik IV een droom, die door iemand opgeschreven is en bewaard werd, omdat achteraf bleek dat het een droom met een voorspellend karakter geweest was. Droomduiding was een geliefd thema in de middeleeuwen. Het stukje tekst is een uniek document, een blik in het onderbewustzijn van Hendrik IV. De situatie doet onmiddeleeuws aan – middeleeuwers hadden immers nog geen oog voor de natuur, zo wordt ons vaak verzekerd. De ex-keizer maakt een plezierwandelingetje in een aangelegd plantsoen en bekijkt de bomen om hem heen:

“Toen keizer Hendrik in Luik verbleef, had hij een betekenisvolle droom. Hij droomde dat hij een wandeling maakte in een park dat met hoge bomen was beplant, waarvan er één uitstak boven de andere. Deze boom stortte neer en drukte op een andere boom en wierp hem omver op de aarde. Vervolgens vielen ook de andere bomen om, de een na de ander.[18]

                 


[1] Vita Heinrici c.1, p 11ff. Ille modo personam imperatoris, modo tamquam militis gerebat, ex uno gerendae dignitatis, ex altero documentum prebens humilitatis. Tam subtilis ingenii tamque magni consilii fuit, ut, dum sententia princpum, vel in causa decernendi iuris vel in tractandis regni negotiis hesitaret, ipse cito nodum solveret et, quid aequius, quid utilius esset, tamquam ab ipsius archano sapientiae sumptum edoceret. Intendebat aliorum verbis, ipsemet pauca loquebatur; nec prior ad sententiam erumpebat, sed aliorum expectacbat. In cuius vultum aciem oculorum suorum fisisset, eius animi motus perspiciebat videbatque tamquam linceis oculis, sive adversum se cor odii, seu gereret amoris. Nec illud á laude vacat, quod in turba procerum caeteris, eminentior et maior se ipso videbatur, et quod in vultu terribile quoddam decus praeferebat, cum inter domesticos suos et raram turbam vultu placidus et statura aequalis appareret. Non solum potentes imperii sui metuebant eum, sed et reges orientis et occidentis ádeo fama eius perterruit..”

[2] «Erat enim affilibitate gratissimus ac liberalitate perspicuus atque humilitatis gratia preditus; nec cujuspiam extollentię nutu notabatur indeptus, …Tamen pro pudor! Unum in eo erat nimium reprehensibile quod incontinentia carnis luxurię infamabatur. » zo werd Hendrik III in de tijd die voorafging aan zijn tweede huwelijk getypeerd door de Bourgondische Cluniacenzer monnik en geschiedschrijver Rodulfus Glaber. Rodulfi Glabri, Historiarum, Lib. IV, c. 17.

[3] Cosmas van Praag, Chronicon Boemorum, Lib II, cc 49 en 50. over een ontmoeting in Mantua in het jaar 1092 tussen Hendrik IV en bisschop Cosmas van Praag.

[4] Vita metrica S. Anselmi Lucensis episcopi auctore Rengerio Lucensi, p. 1224, v3205 ff.: “Quem vero lateat, qui spiritus intima vexat,/ Cum neque letetur nec bona verba ferat,/Stet fixis occulis tacitus meditansque cibumque/ Horrebat in mensam pronus et ungue notans? Althoff, G., Heinrich IV, 159.

[5] Vita Heinrici c. 1, p 11. “quis enim scire posset, quae solo Deo teste peregit? »

[6] Ehlers, C., Mittelalterliche Königspfalzen (Göttingen, 2002).115.

[7] Brief nr. 15. “Matri benedictionis et salutis H. dei gratia rex ex toto corde dilectionem, et si quid est melius et ultra. Omnem successum nostrum quoniam te scire sanum est, uid hec curia et conventus dictaverint et consenserint, tibi utpote dulcissimae matri nostrae mandare volumus. ».

[8] Althof, G., 242.

[9] Vita Heinrici c. 1, p. 11.”Haec de bono misericordiae in pauperes, quod multum amavit, et quod ab hominibus abscondere non potuit.non pro dignitate facti, sed pro facultate ingenii primo locuti… de aliis quoque virtutibus, quibus claruit”.

[10] Meyer von Knonau, JBB 1, 613, n.14. Wido van Ferrara, De Scismate Hildebranti, Lib. I, c. 3.

[11] Gesta regum Anglorum, Lib II, c. 288, c.  290.

[12] Ekkehard van Aura, Chron.  1106, over Hendrik IV, “naar de gewoonte van zijn vader”.

[13] Genealogie des Mittelalters (website). Literatuur: Die Salier und das Reich, ed. Stefan Weinfurter, 1991, Bnd I, 247; bnd II 212-214, 560.

[14] Helmodi Cronica Slavorum, 64, 65. MGH SS rer. Ger., 32: Dixit igitur cesar ad amicum suum episcopum de Sppira: “Ecce destitutus de regno decide a spe, nichilque michi utilius est quam renuntiare miliciae. Da igitur michi prebedam apud Spiram, ut sim famulus dominae meae Dei genitricis, cui devotus semper extiti. Novi enim litteras et possum adhuc subservire choro.”Ad quem ille: « Per matrem », inquit, « Domini, non faciam tibi quod petis ». Tunc cesar suspirans et illacrimans ad circumstantes ait : Miseremini mei, miseremini mei vos saltem, amici mei, quia manus Domini tetigit me ».

[15] Job 19, 21.

[16] Robinson, I. S., Henry IV of Germany, 1056-1106, 352.

[17] Sigeberti Chronica, 1106.

Annales Hildesheimensis, 1106. P. 109. “Heinricus imperator Leodii moratus somnium relatu dignum vidit. Putabat se quasi in viridario proceris arboribus consito deambulare, quarumquae arborum oppressit et terrae secum prostravit. Deide ceterae arbores paulatim lapsae sunt. Quod postea rei exitus comprobavit. Imperator enim non longe post octo diebus egrotans, nono moritur, et in aecclesia sancti Lamberti coram altari sanctae Mariae tumulatur.”

 Leave a Reply

(verplicht)

(verplicht)

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

© 2010 Ria van Loenen Suffusion theme by Sayontan Sinha