Biografie Hendrik III: Lees de Inleiding

 

Inleiding

De eeuw van de priesterkoningen

Op 15 augustus 2009 was het 970 jaar geleden dat koning Hendrik III in de St. Servaaskerk te Maastricht officieel zijn regering begon. Het is geen officieel jubileum en er is trouwens ook bijna niemand die nog weet wie Hendrik III was. Dat is eigenlijk merkwaardig, want geen van de koningen en keizers van het Heilige Roomse Rijk heeft meer macht gehad dan hij. Zijn rijk omvatte het hele gebied van Friesland tot de Golf van Napels, van Wallis tot en met Tsjechië, een rijk dat diverse talen en culturen herbergde. Niet wetende dat hij in de “middeleeuwen” leefde, kon hij zich beschouwen als rechtmatige erfgenaam van het Romeinse Imperium, waarvan niemand leek te beseffen dat het ten ondergegaan was – breuklijnen in de geschiedenis worden immers geconstrueerd door historici. Verder was hij koning van Duitsland, koning van Italië, koning van Bourgondië, leenheer van Vlaanderen, Hongarije en Polen, hertog van Beieren, Zwaben en Karinthië. Als “Patricius van Rome” heerste hij over het Vaticaan en de Paus. Hij was van Byzantijnse afkomst – of, wat misschien meer over hem zegt, hij meende dit te zijn. Door twee huwelijken werd hij verbonden met het Engels/Scandinavische gebied en met het voormalige West-Frankenland. Zonder twijfel was hij de invloedrijkste Europese vorst sinds Karel de Grote.

 Weinig Nederlanders zijn zich er tegenwoordig nog van bewust dat hun land ooit opgenomen was in een Europees rijk met een keizer aan het hoofd. In schoolboeken worden de episodes tussen 800 en 1579 gewoonlijk aangeduid met “de Frankische tijd”, “de Graventijd” of “de Landsheerlijke periode”, maar nooit met “de Keizertijd”. Daarmee wordt de indruk gewekt dat de Nederlanden reeds ver voor de oprichting van de Unie van Utrecht een aparte status genoten en dat het wettige staatshoofd, de keizer, slechts een zeer vage schim op de achtergrond was met wie men eigenlijk geen rekening hoefde te houden. Dit beeld is echter vertekend en werd veroorzaakt door een nationalistische tendens in de geschiedschrijving van de 19e en vroege 20ste eeuw, die tot doel had de leerlingen “vaderlandsliefde” bij te brengen en die tot op de huidige dag in dit opzicht geen principiële wijziging heeft ondergaan. Ook de Canon van Nederland kent geen andere Middeleeuwse heerser dan Karel de Grote en graaf Floris de Vijfde.

 Het is een historiografie die, als het ware om een distantie te scheppen, consequent termen als “Frankische koning”, “Duitse Keizer” of “Rooms-Koning” hanteert, zelfs als de betreffende vorst in zeer nabijgelegen streken geboren was, bijvoorbeeld even ten zuiden van het huidige Limburg, zoals Karel de Grote, in een bos bij Nijmegen zoals Otto III, of in Oosterbeek bij Arnhem zoals Hendrik III. Dit soort crypto-Nederlanders hield men liever op een veilige afstand. Voor hen waren er geen standbeelden[1], straatnamen of gedenkpenningen want zij droegen niet bij tot het ideaalbeeld van de onafhankelijke Nederlanden.

De Duitse geschiedschrijving van de 19e eeuw was in nog sterkere mate een instrument geworden voor nationale en nationalistische bespiegelingen. Tijdens het Tweede Keizerrijk en de periode Bismarck was het historisch denken sterk gepolitiseerd. De “Fransoos” Karel de Grote werd als een “Saksenslachter” gepresenteerd. De christelijke vergevingsgezindheid van de Ottoonse keizers werd niet meer begrepen als een vorm van staatsmanskunst. De Hohenstaufen echter, die een genadeloze bloedwraak binnen hun eigen familie beoefenden, werden als stralende helden vereerd. Hoewel hij gedurende 18 jaar een vruchteloze strijd tegen paus Alexander II had gevoerd, kon Frederik Barbarossa uitgroeien tot figuur van mythologische proporties. Frederik II, die een heel rijk in zijn ondergang meesleepte, werd beschreven als “de eerste moderne mens op de troon”.

De Salische keizers hebben de Duitse nationalistische fantasie nooit erg kunnen bevleugelen. Koenraad II werd nog wel gewaardeerd als krachtige vermeerderaar van het Rijk, maar zijn zoon Hendrik III paste eigenlijk in geen enkele bekende categorie.

Vier generaties vaders en zonen die tussen 1024 en 1125 het uitgestrekte Heilige Roomse Rijk met de primitieve middelen van hun tijd trachtten te besturen, vormden het Salische Huis of “de Saliërs”. Koenraad II, Hendrik III, Hendrik IV en Hendrik V maakten deel uit van  een kleine dynastie, die gedurende een eeuw de verbindende schakel was tussen de Ottonen en de Hohenstaufen. Zij werden nooit erg bejubeld door historici, hoewel juist in deze periode de keizerlijke macht haar hoogtepunt bereikte. De term “reges Salici” verscheen voor het eerst in geschriften uit de twaalfde eeuw en zou ontleend zijn aan de volkstam der Franken, stammend uit Salland, van wie het gewoonterecht, de Lex Salici bewaard is gebleven.

 Het grootgrondbezit van de Saliërs strekte zich uit langs de oevers van de Rijn, de Nahe en de Neckar.

Hendrik III werd slechts 39 jaar oud. Niet doordat hij zwak of ziekelijk was, zoals vaak is gesuggereerd, maar door de gevolgen van een tragisch ongeluk. Hij stierf onverwacht, tijdens een feestelijke bijeenkomst. In september 1056 kreeg hij bezoek van paus Victor II en nadat zij gezamenlijk het feest van de geboorte van Maria gevierd hadden, vertrokken zij voor de herfstjacht naar Bodfeld in de Harz. Terwijl de keizer overmoedig achter een groot everzwijn aan galoppeerde, gleed hij van zijn paard en werd over de grond gesleept[2]. De verwondingen moeten ernstig geweest zijn; precies een week later was hij overleden. Het was allemaal niet nodig geweest want welke keizer gaat er nu op zwijnenjacht met een paus? Hiermee raken we echter de kern van de zaak.

Hendrik III leefde bijna duizend jaar geleden, in een tijd waarmee wij ons nog maar moeilijk kunnen identificeren. Het antropocentrisch denken was nog niet tot norm verheven. Niet de mens zelf, maar God en het goddelijke of bovennatuurlijke vormden de eigenlijke zin van het bestaan. Ondanks, of misschien juist dankzij, dit de moderne Westerse mens irriterende wereldbeeld werd de elfde eeuw voor veel culturen een periode van toenemende welvaart en bloei. In elk geval geldt dat voor Byzantium, China, Japan, India, Midden-Amerika, West-Afrika en het Islamitische rijk van de Fatamiden.

Op de grens tussen Europa en Azië lag het Byzantijnse Rijk, dat onder keizer Basileios II (976-1025) zijn grootste uitbreiding bereikte. Het huidige Turkije, Armenië, Griekenland, de Balkan en een groot deel van Zuid-Italië behoorden tot dit rijk, dat zichzelf het Oost-Romeinse Imperium noemde. De theocratische keizer regeerde de staat door een uniforme, overal geldige rechtsorde, gesteund op een centralistisch georganiseerd bestuursapparaat en efficiënt opererend leger. De hoofdstad Constantinopel was de enige stad in Europa die deze naam verdiende en was met een half miljoen inwoners de sterkste vesting en het belangrijkste handelscentrum van het Middellandse zeegebied.

In China, waarschijnlijk het meest ontwikkelde land van die dagen, regeerde van 960 tot 1279 de Songdynastie van de familie Zhao. Onder hun bewind werd het land verenigd en vonden politieke en economische hervormingen plaats. In het bestuur werd de aristocratie vervangen door ambtenaargeleerden en er werd een systeem van staatsexamens ingevoerd. De boekdrukkunst zorgde voor literaire bloei en de geldeconomie verving in toenemende mate de ruilhandel. Staatsmonopolies op de belangrijkste producten, zoals zijde en porselein, brachten inkomsten en beschermden tegen buitenlandse concurrentie. De overzeese handel nam toe en leidde tot het ontstaan van havensteden en scheepsbouwindustrie.

In Japan had tijdens de Heian-periode (794-1185) de keizer zijn politieke macht grotendeels verloren en fungeerde nu als geestelijk leider van de natie. Het hof resideerde in de hoofdstad Kyoto met veel pracht en praal. Het was de klassieke tijd van de aristocratie. Kunst en wetenschap kwamen tot bloei en het beroemdste prozawerk was de roman Genji-Monogatari, geschreven door de hofdame Murasaki Shikibu (975-1031). Ook hier vonden economische en technische verbeteringen plaats die de economie bevorderden.

Ook India werd door autocratische koningen geregeerd, die zich gesteund wisten door een uitgebreid ambtenarenapparaat. In het noorden van het land heerste de Pala-dynastie (740-1125) die overging tot het Boeddhisme. Zij stichtten heilige plaatsen zoals Nalanda, waar grote en beroemde kloosteruniversiteiten ontstonden. In het westen breidde zich de Islam zich uit door de veroveringstochten van Mahmud van Ghazni (998-1030). In het noorden raakte de Sanskrit-literatuur na het verdwijnen van de Utpala-dynastie (855-1003) in verval. In het zuiden ontwikkelde zich de Tamil-dynastie, die haar macht uitbreidde tot Sri Lanka, Maleisië en Sumatra.

Geïsoleerd, naar men gewoonlijk aanneemt,  van de rest van de wereld ontwikkelde zich ook in Midden-Amerika een hoogstaande cultuur.  In de 9e eeuw drongen de Tolteken het hoogland van Mexico binnen en vestigden hun hoofdstad Tollan ten noordwesten van de verlaten metropool Teotihuacan. Een van hun heersers en hogepriesters was de legendarische  Quetzalcoatl, de “Gevederde Slang”. Hij trok omstreeks het jaar 1000 met zijn aanhangers naar de Golfkust en ontwikkelde de zogeheten tweede bloei van de Maya-cultuur.

Over de Afrikaanse koningshoven in Benin, Nigeria en Ivoorkust is bij gebrek aan geschreven bronnen minder bekend, maar de metalen en keramische siervoorwerpen en beelden die hier werden voortgebracht wijzen eveneens op een periode van ongekende culturele bloei.

In de Arabische wereld heersten officieel de Abbasiden (750-1258), de kaliefen van Bagdad, maar zij ondervonden in toenemende mate concurrentie van de Fatimiden die Cairo tot hun hoofdstad maakten. Zij veroverden de Islamitische wereld van de Eufraat tot de Atlantische Oceaan. Hun ambtenarenapparaat, dat overwegend uit niet-moslims bestond, kenmerkte zich door tolerantie en efficiëntie. In Spanje regeerden sinds 756 de onafhankelijke Omaijaden en handhaafden van 929 tot 1031 een onafhankelijk Kalifaat. Een van hun culturele topprestaties was de Grote Moskee in Cordoba met zijn oppervlakte van 105x116m en circa 600 zuilen.

Het grotendeels ongeletterde en nog half heidense Europa behoorde rond het jaar 1000 in intellectueel opzicht bepaald niet tot de koplopers. Maar ook hier vond sinds de 10e eeuw met de invoering van het Ottoonse stelsel een ontwikkeling plaats in de richting van een centralistisch priesterkoningschap, met rijksbisschoppen in de rol keizerlijke ambtenaren. Van deze ontwikkeling vormde de regering van Hendrik III het hoogtepunt.

            Over interculturele contacten in de elfde eeuw is bijzonder weinig opgeschreven. Er werd echter wel degelijk gereisd. Christelijke pelgrims bezochten het Midden-Oosten. Arabische handelaren bevoeren de Middellandse Zee, de kusten van Afrika en de Indische Oceaan. Zij doorkruisten de Sahara op weg naar Timbuktu. China was bereikbaar via de beroemde Zijderoute. Vikingen koloniseerden niet alleen IJsland en Groenland, maar verkenden ook de Oost-Amerikaanse kust. Bovendien drongen zij door tot diep in Rusland en maakten kennis met de Byzantijnse beschaving.

Een tekening uit de 10e eeuw door Zhao Guangfu met de titel “Barbarenvorsten vereren de Boeddha” toont blonde en bebaarde , verward om zich heen kijkende mannen met Europese gelaatstrekken.

Het land aan de Indus wordt genoemd in de elfde-eeuwse dierfabel Ecbasis Cuiusdam Captivi. De Grote Koning uit Ruodlieb is heerser over Afrika. Hoe weinig de volkeren uit de elfde eeuw misschien ook begrepen van elkaars culturen, hoezeer er gespeculeerd werd over monsters, mythen en onbegrijpelijke gebruiken, men was zich ervan bewust dat de aarde rond was en niet plat, dat de wereld niet ophield achter de horizon en men wist van elkaars bestaan, al was het alleen maar van horen zeggen.

Tot nu toe kwam niemand ertoe een biografie van Hendrik III te schrijven[3]. De beeldvorming rond zijn persoon wekte onbehagen. “Ongenaakbaar, somber, gesloten – de zwarte Hendrik” luidde het oordeel in een recent verschenen verzamelwerk over de keizers[4]. Al in een studie uit 1906 was deze toon gezet en sindsdien steeds weer kritiekloos gekopieerd: “Der tiefe Ernst seiner Gesinnung ließ ihn vereinsamen. Er war nicht von starker Gesundheit; aber es ist schwer zu glauben daß er dadurch daß er mehrfach krank daniederlag, zum Ernst gestimmt wurde. Der Ernst lag in seiner Natur; er gehörte zu den Menschen, die das Glück nicht glücklich macht”.[5] “Seine Ernste und schwere Natur handelte nicht aus glücklichem Gefühl, sondern stets aus streng gemessenem Pflicht-Bewusstsein”.[6] 

In zijn eigen tijd werd Hendrik III echter met geheel andere ogen gezien: “Prachtig van uiterlijk kwam koning Hendrik naar Italië, wijs, beminnelijk, overdadig”.[7]Het koninkrijk van veelvuldige opschudding bevrijd hebbend, was hij telkens wanneer hij zich aan de gemeenschap en de vrolijkheid gaf, vol grappen”.[8]Zo… heeft hij veel opgewektheid door zulke daden teweeggebracht en van toen af stond hij bij iedereen in aanzien door zijn vrijmoedigheid”.[9]

Vaak wordt de vraag opgeworpen of het eigenlijk wel mogelijk is om van een middeleeuwse mens een biografie te schrijven, een levensbeschrijving die recht doet aan onze moderne neiging tot psychologiseren en onze waardering voor het individuele. Volgens Jacob Burckhard was de ontwikkeling van het individu een verworvenheid van de Renaissance. Men voelt intuïtief aan dat dit niet helemaal waar kan zijn. Het tegengestelde van individualiteit is gelijkheid en de mensen van de middeleeuwen waren nu juist uitermate ongelijk. Waren zij geen individuen? En hoe conformistisch zijn wij eigenlijk zelf?

De middeleeuwse samenleving was een gemeenschapscultuur, waarin elk individu vanaf zijn prille jeugd geacht werd een rol te spelen, al naar gelang zijn of haar plaats in de maatschappij, die veelal bij de geboorte al vastlag. Ieder mens bezat een onsterfelijke ziel, daarin was men gelijk, maar of deze na het afsterven van het lichaam bestraft of beloond zou worden, was afhankelijk van de eigen verantwoordelijkheid. Hierin lag een belangrijke mate van individuele vrijheid. Iemand kon er voor kiezen de hem opgelegde rol naar behoren te vervullen, zijn talenten en mogelijkheden te benutten volgens de regels van het spel, zich te onderwerpen aan de riten van de godsdienst, of hij kon in gebreke blijven dan wel afwijken van de norm. Zo had iedereen zijn deugden en ondeugden. De rol lag vast, maar de uitvoering ervan bood toch enige speelruimte. In de loop van de 11e eeuw duiken er in de literatuur steeds meer voorbeelden op van naar vrijheid strevende individuen die de traditionele bindingen loslaten.[10]

De middeleeuwse deugdencatalogi bevatten een breed scala aan menselijke eigenschappen, waaruit een biograaf of hagiograaf precies datgene kon kiezen wat op zijn subject van toepassing scheen. Juist in de 11e eeuw ontstaat er in de levensbeschrijvingen van personen een tot dan toe niet bekend realisme. De persoonlijkheden, bijvoorbeeld de bisschoppen, die ons in de geschiedschrijving van de 11e eeuw tegemoet treden, hebben niet meer de afgerondheid van vroegmiddeleeuwse karakters. Zij lijken niet meer op onaantastbare heiligen maar op echte mensen die hun fouten en zwakheden tonen, zoals excentriek gedrag, opvliegendheid en woedeaanvallen.[11]

Voor Hendrik III heeft hofkapelaan en biograaf Wipo zes deugden geselecteerd die hem bij de koning opvielen en waarin deze volgens hem uitblonk. Dit vormt een belangrijke sleutel tot Hendriks individuele persoonlijkheid[12].

Maar uit alle deugden die een koning verheerlijken,

zijn er zes die de andere overtreffen, te weten;

Een nederige geest, liefde voor de vroomheid, vrede gezonden door de wereld,

Adel en een schone gestalte, zelfvertrouwen in de oorlog. [13] 

 

Natuurlijk waren er ook andere deugden voorradig die een koning konden sieren, zoals: fortitudo (kracht), amicitia (vriendschap), largitas (vrijgevigheid), gaudium (vrolijkheid), humanitas (medemenselijkheid), potestas (macht), honor (eer), securitas (zekerheid), maar bij Hendrik III waren deze eigenschappen kennelijk niet zo in het oog springend dat zij het vermelden waard schenen. Het weglaten van kenmerken geeft ook informatie over zijn karakter.

Godsdienstigheid, een donker uiterlijk en incidentele gezondheidsproblemen waren genoeg om de derde Hendrik in de moderne geschiedschrijving een morbide imago te bezorgen. Somber, ziekelijk en streng in de leer leidde hij volgens dit eenzijdige beeld  zijn leven. Van de duistere ongenaakbaarheid die door latere historici aan Hendrik III wordt toegeschreven, is in de meer eigentijdse bronnen van de 11e- en 12e eeuw niets terug te vinden. Integendeel, men beschouwde hem als humoristisch[14]. Kroniekschrijvers prezen zijn vrijmoedigheid en spontane goedheid[15].  Wanneer hij een aanval pareerde, deed hij dit, in plaats van bloedig wraak te nemen, op een vriendelijke en ironische manier, die de dader in verlegenheid bracht en ontwapende. Deze methode kreeg een speciale benaming: “Edele wraak”. Het pessimisme van het jaar 1000, het wachten op de ondergang, had plaatsgemaakt voor een nieuw elan. Hendrik III beschouwde het als zijn opdracht om het koninkrijk Gods op aarde te verwezenlijken. Nu, meteen, in het dagelijks bestaan. Het aardse leven moest een eeuwig durend dagelijks “Paasfeest” worden, een pascha cottidianum, een gemeenschap van liefde, waarin vrede en vergeving wettelijk verplicht werden. Een nieuw werkwoord deed zijn intrede, “deizare”, spontaan handelen als God.[16]

In de 12e en 13e eeuw, tijdens het schrikbewind van de Staufische keizers, werd Hendrik III opvallend positief beoordeeld. In Eberhards Rijmkroniek van Gandersheim is hij de enige koning die het predikaat “goed” ontvangt:

De konnig Lodewich, Arnolf, Cunrad,

Hinrik, Otto, Otte, Otte, Hinrich.

Na dem lesten Hinrike quam ein Cunrad,

Na deme sin sone de dar heit de gude Hinrik.

Na deme sin sone de dar ok heit Hinrik.

Na deme ein Luder (Lotharius). Na dem ein Cunrad

Na deme ein Frederick…(etc.)

In de Kaiserchronik lezen we:

“Do der chunich Chuonrat versciet,

Ainen sun er verliez,

Daz war der guote Hainrich”, [17]

 

Zelfs tot in het verre IJsland (waarvan aartsbisschop Adalbert van Hamburg Bremen, een persoonlijke vriend van Hendrik III, de missionaris geweest was) was zijn reputatie doorgedrongen. Snorri Sturluson (1178-1241) noemt hem “Hendrik de Milde”, Heinrekr, him mildi, Keisari i Saxlandi.

Hans Geismar, kroniekschrijver te Goslar (16eeuw), gaf vijf eeuwen na dato nog een verrassend treffende karakterisering van Hendrik III. Hij kenschetste hem als een milde keizer en benadrukte zijn christelijke barmhartigheid, zijn ernst en zorgvuldigheid (bij het uitvoeren van zijn taken) en zijn vriendelijkheid en vrijmoedigheid (in de persoonlijke omgang):

“een vroom, christelijk vorst was hij,

barmhartig, genadig, vriendelijk zelfs

zorgvuldig, moeizaam, onbekommerd,

in vrede en strijd, zoals men het begeert.”[18]

Men noemde hem “goed”, pius, zijn plicht betrachtend en de plicht van een koning had een tweeledig karakter. In het eeuwige middeleeuwse spanningsveld tussen het hemelse en het aardse moest hij de leidinggevende rol spelen. Ridder en priester tegelijk, courtier en heremiet, mysticus en politicus. De koning was, zoals dat genoemd werd, een “persona mixta”[19], een tweeledig persoon. Als gevolg van zijn zalving en wijding tot koning had hij zowel een hemelse als een aardse hoedanigheid.

Steeds wanneer Hendrik III op hoogtijdagen de Rijksinsignes moest dragen, wilde hij van tevoren biechten en boeten. Het boeten hield onder meer in dat hij zich door een priester liet geselen met een zweep. Pas nadat hij van alle zonde en schuld bevrijd was, kon hij boven zichzelf uitstijgen, het wereldse achter zich laten en de rol spelen van de Gezalfde. Waren de plechtige vieringen voorbij, dan veranderde hij weer gewoon in “Hendrik de Zondaar”, voortdurend verleid door de gevaren van rijkdom en macht, die offers moest brengen voor zijn zielenheil. Dit inconsequent lijkende dubbelleven werd door zijn tijdgenoten met instemming begroet. Men zag er (nog) niets dubieus in.

Hofkapelaan Wipo lijkt zich dan ook niet te hebben gerealiseerd dat hij zijn heerser tegenstrijdige eigenschappen toedichtte, voor hem was deze combinatie van deugden volkomen normaal. Een nederige geest hebben én adeldom uitstralen, er goed uitzien én leven als een monnik, zelfvertrouwen hebben in de oorlog én vrede zenden door de wereld.

Hendrik III trachtte de tegengestelde elementen te verbinden tot een samenhangend geheel. Niets was in zijn wereldbeeld absoluut en het een sloot het ander niet uit. Toch kon ook hij streng optreden in de rol van inquisiteur. In 1051 heeft Hendrik III het doodvonnis uitgesproken over een groep streng dogmatische “Nederlanders”. Het waren Manicheeërs, afkomstig uit Lotharingen, die niet bereid waren hun “dwaalleer” te herroepen. Voor hen was de wereld zwart-wit, verdeeld in een absoluut Goed en Kwaad. Een monnik uit Hersfeld beschreef rond 1090 wat er mis was met de Manicheeërs, namelijk hun leer over de duivelse oorsprong van de mens. Al ver voordat de geschriften van Aristoteles bekend werden, deelden 11e-eeuwse intellectuelen namelijk het standpunt dat de mens een met rede begaafd wezen, een denkend dier was, dat fouten kon maken door een verkeerde denkwijze, maar van nature goed was en naar Gods beeld geschapen[20].

In samenwerking met een zeer begaafde paus, zijn familielid Leo IX, en met het hervormingsgezinde klooster Cluny uit het land van zijn echtgenote Agnes van Poitou, die afkomstig was uit het vooruitstrevende Aquitanië, de bakermat van de hoofse cultuur, creëerde Hendrik III gedurende de zeventien jaren van zijn regering een in menig opzicht uniek cultureel hoogtepunt. Hij en zijn adviseurs beschikten over een aanzienlijke ‘conceptual power’.

Na de dood van Hendrik III, de laatste grote priester-koning in Europa, vielen kerk en staat onherroepelijk uiteen, ondanks het taaie gevecht van zijn moedige maar onfortuinlijke zoon Hendrik IV om het oude stelsel te redden. De scheiding der machten is een van de grootste verworvenheden van de moderne geschiedenis, maar soms is het goed te beseffen dat het ook anders kon en in sommige delen van de wereld nog steeds is.


[1]  Een zeldzame uitzondering vormt Nijmegen met zijn Keizer Karelplein en standbeeld.

[2] Epitaphium

[3] In de historiografie over het Heilige Roomse Rijk in de elfde eeuw neemt keizer Hendrik III een zeer bescheiden plaats in. Er zijn over hem slechts een handvol artikelen met detailstudies geschreven, verder de Jahrbücher van de onvolprezen Ernst von Steindorff en één verouderde monografie: Van Hengel, W.A, Keizer Hendrik III (Leiden, 1844). Zelfs het in 1992 verschenen minutieuze driedelige standaardwerk Die Salier und das Reich  beschrijft veel uitvoeriger het Reich  dan de Salier. Meer aandacht gaat nog steeds uit naar zijn zoon, de Canossa-ganger Hendrik IV.

[4] “Unnahbar, düster, verschlossen – der schwarze Heinrich”, Fischer-Fabian, S. Die Deutschen Kaiser. Triumf und Tragödieder Herrscher des Mittelalters.(Bergisch Gladbach, 2003), 200.

[5]  Hauck, A., 612.

[6] Hampe, (1916), 18.

[7] « Magnifici vultus rex Italiamque secundus/Venit Heinricus, sapiens, iocundus, opimus; » Donizonis Vita Mathildis MGH. SS XII, 371.

[8] William van Malmesbury, Gesta.

[9] Raoul Glaber.

[10] Struve, Tilman, Salierzeit im Wandel. Zur Geschichte Heinrichs IV. und des Investiturstreites.(Keulen, Weimar, Wenen, 2006), 13.

[11] Struve, Tilman, 18 ff.

[12] Wipo, Tetralogus.

[13] Sed tamen ex cunctis sex regem magnificabunt

Virtutes aliasque satis praecedere norunt:

Mens humilis, pietatis amor, pax missa per orbem,

Nobilitas et forma decens, fiducia belli.

[14] William van Malmesbury.

[15] Rodulfus Glaber.

[16] Ruodlieb.

[17] Deutsche Chroniken und andere Geschichtsbücher des Mittelalters ,(Hannover, 1895), Bnd I,  376.

[18] “ein frumb christlicher furst er war,

barmhertzig, gnedich, gutig gar,

sorgfeltig, muhsam, unbeschwert,

in fried und streit, wie mans begert“. Memmert, T., Das Goslarer Kaiserhaus, 20.

[19] Kantorowisz, E, The Kings two Bodies.

[20] Struve, T., (2006) 248, n. 48,49,50.

 

 

© 2010 Ria van Loenen Suffusion theme by Sayontan Sinha